Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik zal 't hom zeggen; maar gaat allen mee en laat zijn toorn niet op mijn hoofd alleen neerkomen 1"

Vinicius werd ongeduldig. Petronius en Chrysothemis lachten; maar hii ging met snelle schreden in het Atrium op en neer.

„Nu moester, zij toch hier zijn! Zij konden reeds lang hiei wezen!"

Hij wilde den draagstoel te gemoet ijlen, maar Petronius en Chrysothemis hielden hem terug.

Plotseling weerklonken er schreden in de gang, de slaven stormden het Atrium binnen, gingen tegen den muur staan, hieven hunne handen omhoog en begonnen steunend uit te roepen: „Aaas — Aaaa!"

Vinicius sprong hen te gemoet.

„Waar is Lygia?" riep hij met donderende stem.

„Aaaa!"

Daar drong Gulo naar voren met zijn bloedend gezicht en riep haastig uit met bevende stem:

„Zie ons bloed, heer! Wij vochten! Zie ons bloed! Zie ons bloed!"

Maar hij had nog niet uitgesproken, toen Vinicius eene bronzen lans greep en met één slag de hersenpan van den slaaf verpletterde.

Terwijl hij met zijn vingers door zijne haren woelde riep hij met heesche stem uit:

„Me miserum! Mc miserum!"

Zijn gezicht werd blauw, zijne oogen rolden in hunne kassen en schuim kwam er op zijne lippen.

„De zweep!" brulde hij.

„O, heer I Aaaa! Heb erbarmen!" zuchtten de slaven.

Petronius stond op met eene uitdrukking van afkeer op ;:ijn gezicht.

„Kom, Chrysothemis!" zei hij, „als ge rood vleesch wilt zien, dan zal ik bevel geven om eene slachterij in uwe buurt te openen."

En hij "erlie' het Atrium.

Door geheele huis, dat met klimop versierd was en voor een feest was gereed gemaakt, hoorde men tot aan den morgen het suizen der zweep.

Sluiten