Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Syra, ik ben niet thuis; ik ken dien goeden man nietig

,'lk zei hem al, dat ge thuis waart, maar dat ge sliept, antwoordde het meisje, „hij vroeg mij u te wekken."

„O, goden i Ik laat u "

Maar Ursus werd ongeduldig, naderde de deur van de slaapkamer en riep, terwijl hij zijn hoofd naar binnen stak:

„0, Chilon Chilonides 1"

„Pax tecum!"1) antwoordde Chilon. „O, braafste aller Christenen. Ja; ik ben Chilon, maar ge vergist u — ik ken vi niet!'1

„Chilon Chilonides," antwoordde Ursus, „uw heer, Vimcius, laat u roepen."

HOOFDSTUK XXI.

Eene stekende pijn deed Vinicius ontwaken, t Duurde geruimen tijd voor hij wist, waar hij was en wat er met hem gebeurd was. Als in een nevel zag hij de personen, die hem omringden: twee daarvan waren hem bekend, Ursus e_n (le oude man, die bij 't vuur zat, toen hij de schuilplaats van Dygia binnentrad. De derde, die hem geheel onbekend was, hield zijn linkerarm vast en betastte dien van den elleboog tot den schouder. Dat veroorzaakte hem zooveel pijn, dat nij, denkende dat men zich op hem wreken wilde, tusschen zijne tanden siste: „dood mij." Doch men lette daar niet op.

IJrsus, met zijn half angstig, half dreigend barbarengezicht, hield een stuk linnen in de hand, dat hij aan lange reepen scheurde.

De oude sprak tot den persoon, die den arm onderzocht:

„Glaucus, zij» ge er zeker van, dat de hoofdwond niet doo-

delijk is?" „ , ,, , . . .

„Ja, Crispus," antwoordde Glaucus. „De hoofdwond is niet

gevaarlijk." ,

Toen deze hier" — Crispus wees op Ursus — „den jongen man hel meisje ontrukte, slingerde hij hem tegen den muur. Uit zelfbehoud stak hij den arm uit, maar lnj brak hem en dat redde hem toch het leven."

H Vrede zij met u.

Sluiten