Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keizerlijke gunst niet bestaan kunnen. Het Palatium is gelukkig het einde van de wereld niet, vooral niet voor hen, die van geheel iets anders vervuld zijn." Hij zei dit zoo zorgeloos en vroolijk, dat 't Petronius' aandacht trok. Deze keek hem eenigen tijd uitvorschend aan en vroeg toen:

„Wat hebt ge toch?"

„Ik ben gelukkig," antwoordde de tribuun. „Ik noodigde u met opzet uit, om 't u te vertellen."

„Wat is er dan gebeurd?"

„Iets, dat ik niet voor het geheele keizerrijk zou willen ruilen." Bij deze woorden ging hij zitten, liet het hoofd in de hand rusten en zei:

„Herinnert ge u nog ons bezoek bij Aulus Plautius? Daar zaagt ge voor 't eerst het schoone meisje, dat later door u bij de lente werd vergeleken. Kunt ge u dat meisje nog voorstellen, oneindig schooner dan alle andere vrouwen?"

Petronius keek hem verbaasd aan. „Van wie spreekt ge?" vroeg hij, „van Lygia soms?"

„Ja, van mijn verloofde."

„Versta ik u goed?"

Vinicius sprong op en gaf bevel den hofmeester te roepen.

„Laat alle slaven hier komen. Spoedig!"

„Gij zijt haar verloofde?" herhaalde Petronius, en voordat hij van zijne verbazing bekomen was, wemelde het atrium van slaven, waaronder zwakke grijsaards, mannen in de kracht van 't leven, vrouwen, meisjes en knapen. Toen zij zich eindelijk in rijen langs den muur hadden opgesteld, plaatste Vinicius zich in 't midden en sprak tot Demas, zijn vrijgelatene :

„Wie reeds twintig jaren in mijn huis diende, gaat morgen met nuj naar den praetor,l) waar ik hem de vrijheid zai schenken. Wie dien tijd nog niet heeft uitgediend, krijgt drie goudstukken en een dubbel rantsoen gedurende eene week lang. Zij, die gevangen zitten, ontvangen kwijtschelding van straf. Een dag vol geluk, zooals deze voor mij is, zal ook vreugde over mijn huis brengen."

De slaven vertrouwden nauwelijks hunne ooren. Plotseling hieven allen de armen in de lucht en riepen als uit één mond:

„Aa, heer! a—a—a!"

Vinicius deed hen door eene handbeweging vertrekken.

„Morgen," zei hij, „laat ik hen allen in den tuin komen.

') Rechter.

Sluiten