Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om zou hij in de nabijheid eener brandende stad en van een ra zend gepeupel blijven, in plaats van zich op een zijner buiten verblijven terug te trekken om daar, door scharen getrouwe bedienden beschermd, landelijke rust te genieten en in vrede, door Petrus gezegend, onder Christus' vleugelen te leven? O. als hij Lygia maar kon vinden!

Maar dat zou niet zoo gemakkelijk gaan en hij dacht met ontzetting terug aan alles wat hij dezen dag doorleefd had

Toch wilde hij zoo spoedig mogelijk op weg gaan. Macrinus kon zijn huis niet alleen laten; hij schonk Vinicius echter twee ezels, die ook Lygia op hare verdere reis van dienst zouden kunnen zijn. Bovendien wilde hij den tribuun nog een slaai meegeven, maar hiervoor bedankte deze.

Vinicius en Chilon begaven zich thans op weg; het kostte hun nu weinig moeite door de menigte heen te komen. Vini cius zette zijn ezel steeds tot meer spoed aan, terwijl Chilon achter hem aan kwam en aldoor in zichzelf praatte.

„Goed, wij hebben het vuur achter ons, zoodat het ons den rug warmt. O, Zeus, als gij geen wolkbreuk neerzendt, hebt ge Rome niet lief. Menschen zijn niet in staat dit vuur te blusschen. Nu is 't uit met Rome en de opperheerschappij der Romeinen! Wie nu lust zou hebben de puinhoopen te bezoeken en Rome uit te fluiten, zou gerust zijn gang kunnen gaan. O, goden, zulk eene wereldbeheerschende stad te bespotten! Welke Griek, welke barbaar heeft ooit van zoo iets gedroomd ? En toch kan men het gerust doen, want een hoop asch, 't zij van een herdersvuur of van eene verbrande stad, is en blijft asch, die de wind vroeger of later verstrooien zal."

Terwijl hij zichzelf zoo onderhield, keek hij van tijd tot tijd naar de vlammen om. Zijn gelaat straalde van boosaardige vreugde.

„Rome gaat ten onder," ging hij voort, „nooit zal het weer opgebouwd worden. Waarheen moet de wereld nu haar graan, hare olijven, haar geld zenden? Marmer brandt niet, maar brokkelt af. Het Kapitool wordt tot puin, het Palatium eveneens. O, Zeus! Rome was de schaapherder, de andere volken waren de schapen. Als de schaapherder honger had, slachtte hij een schaap, at het vleesch en gij, o, vader der goden, kreegt het vel als offerande. Wie moet nu voor het slachten zorgen, o, grootste der goden? Want Rome brandt even fel. alsof gij 't met uwe bliksemstralen in brand hadt gestoken."

„Voorwaarts!" drong Vinicius aan. „Wat bazelt gij toch?"

Sluiten