Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den Keizer huichelt — gij, die hem even te voren met de pretorianen dreigdet; wrj hebben dat allen begrepen en Nero ook."

Tigellinus, die zoo'n antwoord van Pretorius niet verwacht had, werd bleek en zweeg. Maar dit was ook de laatste overwinning van den arbiter op zijn mededinger, vvant Poppea zei nu: „Heer, hoe kan zulk een gedachte ooit in het brein van een mensch opkomen en wie vermeet zich die in uwe tegenwoordigheid uit te spreken."

„Straf den onbeschaamde," riep Vitellius uit.

Nero fronste de wenkbrauwen, richtte zijn bijziende, glazige oogen op Petronius en voegde hem toe:

„Is dat het loon voor al de vriendschap, die ik u bewees?

„Vergis ik mij, bewijs 't mij dan," antwoordde Petronius; „maar weet, dat ik slechts zeide wat mijne liefde tot u mij ingaf."

„Straf hem!" werd er van alle zijden geroepen.

Er ontstond een gemompel, eene beweging onder de aanwezigen — want men trok zich van Petronius terug. Zelfs Tulliïis Senico, zijn trouwste volgeling, verliet hem, evenals de jonge Nerva, die hem tot nu toe de grootste aanhankelijkheid betoond had. .

Weldra stond Petronius alleen ter linker zijde van den Keizer; een glimlach plooide zijne lippen en terwijl hij zich in zijne toga hulde, wachtte hij kalm het antwoord van den Keizer af.

„Gij wilt dat ik hem straffen zal," sprak Nero. „Maar hij is mijn vriend, mijn metgezel; hij heeft mijn hart gewond; niettemin zal hij ervaren, dat ik voor vrienden slechts vergeving ken." _ ((

„Het spel is verloren en ik ben ten doode gewijd,' dacht

Petronius.

De Keizer stond op, de beraadslaging was ten einde.

HOOFDSTUK XLIV.

Petronius b'egaf zich naar huis, terwijl Nero en Tigellinus Poppea's atrium betraden, waar hun de lieden wachten, die Tigellinus reeds gesproken had.

Sluiten