Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oen brief aan Lygia, dien hij daarop zelf aan den centurio overhandigde. Deze bracht dien dadelijk in de gevangenis en keerde kort daarna terug met een groet van Lygia en de belofte, dat Vinicius haar antwoord spoedig zou ontvangen.

Vol verlangen iets van Lygia te hooren, besloot hij daarom vóór de gevangenis te wachten; doodmoe ging hij op een bank zitten en hield van daar de poort van de gevangenis nauwlettend in het oog. Het was hem echter niet mogelijk lang wakker te blijven; weldra had de slaap zijne oogen gesloten. Hij droomde, dat hij Lygia 's nachts in zijne armen droeg langs onbekende wegen. Pomponia, met eene lamp in de hand, verlichtte hem daarbij den weg. Eene stem, gelijk aan die van Petronius, riep ver achter hem: „Kom terug!" Hij lette daar echter niet op, maar volgde Pomponia tot aan eene hut, waarvoor de gestalte van den apostel Petrus zichtbaar was. Hij toonde deze zijn last en zei:

,.Heer. wij komen uit de arena en kunnen haar niet weer tot bewustzijn brengen. Wek gij haar!" Waarop de apostel antwoordde

„Christus zelf zal komen, om dat te doen."

De hitte en het rumoer van de menigte wekten Vinicius eindelijk uit zijn diepen slaap. Hij wreef zich de oogen en zag, dat de straat van menschen wemelde. Twee slaven, in gele tunika's gekleed, dreven de menigte met lange stokken uit elkaar, om een weg te banen voor een kostbaren draagstoel, die door vier krachtige Egyptenaren gedragen werd. Daarin zat een man in een Avit gewaad gekleed. Zijn gezicht was niet gemakkelijk te herkennen, want hij hield een papyrusrol, die hij met groote opmerkzaamheid scheen te lezen, voor zijn oogen.

„Plaats voor den edelen Augustijner," riepen de slaven. De drukte was echter zóó groot, dat de draagstoel een oogenblik moest stilstaan. De Augustijner legde de rol weg, keek riaar buiten en riep:

„Jaag de schurken aan den kant. Voorwaarts!" Maar toen hij Vinicius herkende, trok hij snel zijn hoofd terug en verborg zicli opnieuw achter de papyrusrol.

Het was Chilon.

Vinicius meende nog te droomen, maar op eens werd veel, wat hem tot nog toe duister was, hem duidelijk; hij liep op den draagstoel toe, klemde zich daaraan vast en zei: , Wees gegroet, Chilon 1"

Sluiten