Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij spreekt de waarheid," riep Vestinius uit.

Barcus wendde zich tot Petronius: „Tot welke slotsom komt

^„Ik eindig, waarmee gij begonnen zijt er is genoeg bloed

vergoten."

Tigellinus keek hem spottend aan:

O — nog maar een weinig meer!"

't Gesprek werd onderbroken door de komst van den Keizer, die Pvthagoras naast zich liet plaats nemen. lijk daarop begon de voorstelling van Aureolus ; men schonk er niet veel aandacht aan, want ieders gedachten hielden

zich met Chilon bezig. ,

Eindelijk kwam het langverwachte oogenblik. Lerst werd er een houten kruis binnengebracht; 't was zoo klein, dat een beer, op de achterpooten staande, de borst van den gemartelde kon bereiken. Twee mannen sleepten Chilon binnen, want zijne kracht was gebroken; hij kon niet alleen gaan. Zij legden hem op het kruis en napp, en hem zoo vlug daarop vast, dat de nieuwsgierige Vv.-,agen t niet eens goed konden zien; eerst nadat het krui., op de daarvoor bestemde plaats opgericht en vastgezet was, konden al

het slachtoffer aanschouwen.

Slechts weinigen konden in dezen naakten man den tnilon van vroeger herkennen. Tigellinus had hem zoo laten martelen, dat er geen druppel bloed meer in zijn lichaam was gebleven, en in zijn witten baard toonde een rood bloedspoor aan, dat men hem de tong had uitgerukt; zijn ribben waar door de huid heen te tellen. Hij scheen ook veel ouder en was zeer verzwakt. Vroeger glansden zijne van voortdurende onrust en boosheid; in zijn loerenden bli waren steeds angst en onzekerheid te lezen; nu lag er op zijn gelaat wel eene uitdrukking van pijn, maar t was tevens zoo zacht en rustig als dat van een slapende of een doode. Misschien dacht hij in dit oogenblik wel aan den misdadiger aan het kruis, dien Christus had ve£Seven> ™IS' schien bad hij in stilte vol vertrouwen tot den barmhartigcn

0 Heer, ik beet als een vergiftig dier en ik was daarbij mijn geheele leven lang ongelukkig. Ik stierf bijna van honger en men trad mij met voeten, sloeg en bespotte >nflwas arm en ellendig en nu liet men mij martelen en nagelde mij aan het kruis, maar Gij, o, Barmhartige, zult mij in . ure niet van U wijzen 1"

Sluiten