Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genaaid, 't Is voldoende, dat ik WEBER aan die visschers herinner om nü nog ten antwoord te krijgen: „Praat mij niet van die kerels, dat was verschrikkelijk, die deden alles verkeerd".

De visschers zaten te naaien in een loods van het Gouvernement, vlak bij het havenhoofd, een ruimte door den havenmeester welwillend ter beschikking van de Expeditie gesteld. Daar werden ook die fijn riekende walvischschedels in reusachtige kisten verpakt om naar Holland te worden verzonden; tusschendoor amuseerden wij ons met een paar roode reigers, die niet goed konden vliegen en altijd in de loods rondscharrelden in afwachting, dat deze of gene goedig wat visch voor hen zou neergooien, die zij dan onder hevig gekrijsch en geklapwiek der lamme vleugels, verslonden.

Ons hotel lag aan den aanvang van de breede, lange tamarinden-laan, die van af fort Rotterdam door geheel Makassar loopt. Tegenover ons hotel was een groot veld waar de soldaten exerceerden en zij ook hun strafoefeningen moesten houden; de muziek hield er hare repetities en den geheelen dag hoorde men enkele zich oefenende muzikanten. Van de stafmuziek werd te Makassar veel werk gemaakt; twee maal in de week was er uitvoering in de tent voor de Societeit en bij elke mogelijke gelegenheid moest de militaire muziek dienst doen. Eiken Donderdagavond was er taptoe en telkens weer keek ik met genoegen naar het schijnsel der fakkels op de bruine gelaatstrekken der soldaten en luisterde naar het geroffel der trommels, dat zoo eigenaardig klonk in de groote stilheid van den avond.

Wat al droevige existenties zwerven erin die ver verwijderde zeeplaatsen rond. Toen wij een dag of tien in het hotel gewoond hadden, verscheen er een heer aan tafel, zoo'n echte halve heer, shabby genteel, maar met geen onaangenaam uiterlijk. Hij was een Deen van geboorte, was jong de wereld ingegaan, had lang in Engelsch Indië en in Australië gezworven en was eindelijk op een rondreis als goochelaar

Sluiten