Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den grootsten diepgang heeft. Het slib, dat de Koetei jaar in jaar uit afvoert, komt terecht in de diepe Makassar-straat en was zeker oorzaak, dat wij daar zoo weinig dieren uit groote diepte ophaalden.

Den 15^en lagen wij 's morgens vroeg voor den zuidmond der Mahakkam, waar wij het eerste loodsschip aantroffen; de Siboga had echter te veel diepgang, slechts bij springvloed zou zij over de zandbank heen kunnen stoomen, die hier den toegang tot de rivier verspert. Wij moesten dus de meer oostelijke uitmonding opzoeken en waren te elf ure voor Moeara Badjor. De landwind bracht heerlijke geuren van de rijke vegetatie van het land mede, maar wij konden zelfs niet gissen welke boomen of struiken, die fijne geuren verspreidden.

Te Moeara Badjor kwam een loods aan boord en nu stoomden wij de Mahakkam op, wier oevers aan den riviermond met rhizophoren begroeid zijn. Een eind verder verscheen de nipapalm met hare lange bladeren langs de rivier en eerst veel hooger op, voorbij Moeara Djawa, waar de havenmeester woont en een nederzetting is van eene bekende Petroleum-Maatschappij, nemen ook loofboomen deel aan de vorming van het woud. Te Moeara Djawa wisselden wij van loods en met geforceerden trek ging het nu stroomopwaarts. De rivier bereikt op enkele plaatsen de belangrijke breedte van ongeveer 200 M. om zich dan plotseling weder te vernauwen, op haren weg naar zee tallooze bochten makende, waarvan de Siboga steeds de buitenzijde moest houden, zoodat het schip soms rakelings langs de bladeren der boomen stoomde. Bij scherpe bochten verschrikte het dof brommend geluid van hare stoomfluit de bewoners van het bosch; een groote neusaap kwam nieuwsgierig door de takken gluren, maar liet zich van schrik vallen toen de stoomfluit weerklonk.

Na nog een tijd stoomens passeerden wij de plaats waar de derde rivierarm zich naar zee afbuigt en eerst toen de

Sluiten