Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Enkele dezer gewassen had ik te Buitenzorg gezien, waar zij op bepaalde boomen gekweekt worden; hier groeiden zij bij honderden en honderden, grooten en kleinen, enkelen zoo groot als een man's hoofd.

Den heuvel vóór ons beklimmende, moesten wij ons door velden van Gleichenia heen werken, een varen meer der Australische dan der Aziatische flora eigen, die WEBER tot aan de borst toe reikte. Over den grond, aan de takken der boomen kropen of hingen bekerplanten, Nepenthes, waarvan ik in een oogenblik drie soorten verzamelde. Hooger op bedekten reuzen-Lycopodiums den grond en behalve Casuarina, zagen wij nog verscheidene boomen, die door hun smalle, harde bladeren aan de Australische boomen deden denken, 't Was jammer, dat zich overal sporen van groote vuren vertoonden, die de inboorlingen ontsteken en dan maar laten branden; wie weet hoeveel merkwaardige planten daardoor al vernield werden!

De hoogste top van den ronden heuvel was 142 M. hoog; hier stond een „steenman", wellicht nog afkomstig van de oude Fransche reizigers; wij onderzochten den ,cairn', waarin WEBER nog een oud pistool vond en stukken dik, groen glas van een ouderwetsche flesch. Van een brief of ander geschreven document dier onversaagde reizigers was helaas niets meer te vinden. Kalm rolde de zee tegen den voet van den heuvel aan en 't was alsof het golfgeklots ons toeruischte: „zoo gauw wordt de mensch vergeten en al zijn streven en werken en zijne plaats kent hem niet meer". Mijmerend daalden wij den heuvel af; beneden gekomen was het water gevallen en droogvoets, hier en daar nog balanceerende over de wortels der mangroven, bereikten wij onze vlet.

Wij roeiden terug naar den ingang der baai en kwamen bij den plek waar in 1819 nog een kampong stond. Hier gingen wij weèr aan land; het was intusschen twee uur geworden en ook de maag liet haar rechten gelden; de matrozen stookten een vuurtje, HUYSMANS warmde een blik

Sluiten