Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van vervoeren leek mij ten slotte veel gevaarlijker, en de angst, dat het buisje breken zou of ergens vergeten mocht worden, werd op het laatst een halve cauchemar.

Het rif te Kabaena, waarbij commandant TyüEMAN een goede ankerplaats vond, was rijk aan dieren en algen. Gedurende de volgende dagen werd nog verschillende malen met zeer afwisselend geluk op groote diepte gekord, en o. a. waargenomen, dat de bodem der zee uit taaie grijze modder bestond, die met een dunne laag bruine modder overdekt was, waarin allerlei interessante dieren leefden, o. a. ook een foraminifeer, die netvormige buisjes maakt, daardoor zeer op algen gelijkt en blijkbaar in dichte laag den bodem bedekt. De dikte der bovenste bruine modderlaag was duidelijk in grondproeven waar te nemen, die met het lood van den vorst van Monaco bovenkwamen.

26 September naderden wij Saleyer en herdachten nog eens den sinds overleden gezaghebber der boot, die ons in 1888 te Saleyer bracht. Toevallig hadden wij gedurende dat jaar verscheidene reizen met hem gemaakt en menigmaal om zijn humor gelachen. Toen Saleyer in zicht kwam, zeide de gezagvoerder: „Mevrouw, wij zullen eens een grap hebben;" hij heesch de gouverneursvlag in den mast en liet tweemaal schieten, als ware de Gouverneur aan boord geweest. „U moet ze eens zien hollen langs het strand, ze begrijpen er niets van" lachte hij en reikte mij zijn verrekijker aan. Te Saleyer werden wij toen inderdaad door klerken en alle inlandsche ambtenaren in groot tenue ontvangen — de Controleur alleen had zich niet laten beetnemen. Thans was onze ontvangst eenvoudiger; wij werden door den djoeragan, dat is de naam voor den inlandschen kapitein van de kruisboot, namens Controleur KkUGERS verwelkomd, die zelf door een verwonding aan den pols verhinderd was bij ons te komen. Onze doctor bezocht den Controleur dadelijk en verbond de wond, die gelukkig niet gevaarlijk was, en daarna werd alles besproken voor ons verblijf in den passagrahan, waar wij in 1888 reeds

Sluiten