Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loodden wij nog 1573 M. Eerst na lang zoeken vond commandant TYDEMAN grond op mindere diepte en liet een stopanker vallen, toen het dieplood 270 M. aanwees; met het anker werd 400 M. staaltros gestoken en daar de wind eindelijk was gaan liggen en de zee begon af te slechten, durfde onze commandant het te wagen op deze zeer buitengewone wijze ten anker te blijven liggen; evenwel was voortdurend toezicht der officieren van noode.

Binongka, een eiland, dat evenals de overige loekangbesi-eilanden nagenoeg onbekend is, bestaat uit opgeheven koraal-terrassen, die duidelijk van uit zee zichtbaar zijn; wij telden er vijf boven elkander, doch waarschijnlijk zou het geoefend oog van een geoloog er wel meer ontdekt hebben. De vegetatie, welke deze terrassen bedekt, scheen ons toe minder arm aan boomen te zijn, dan dit b.v. van uit zee gezien op Soemba het geval is, dat een dergelijke formatie heeft. Wij lagen voor de kampong Popaliha, die aan zee gebouwd is, met een missigit prijkt en door muren omgeven wordt. Het terras, waarop de kampong gelegen is, rijst zoo steil op uit zee, dat de bewoners langs ladders van uit de kampong naar het strand afdalen.

Met de visschers waren wij spoedig op een goeden voet. Gezeten in hun korte, breede prauwtjes, vervaardigd uit een betrekkelijk groot aantal planken, brachten zij ons veel visch aan. Zoo kregen wij ook een reuzenvisch, ruim anderhalve meter lang en dik naar verhouding, dien de visschers beweerden op 270 M. diepte gevangen te hebben. WEBER kon al duidelijk uitmaken, dat deze visch een nieuwe soort Ruvettus is en noemde hem Ruvettus Tydemani. Het dier werd gevild, de huid met kop en staart voor de collectie bewaard en het blanke vleesch, dat op elft geleek en er heerlijk uitzag, onder de Europeesche bemanning verdeeld; de Javanen trokken hun neus op voor een visch, die door het mes van den zooioog bewerkt was en zij konden van geluk spreken, 't Was ons toch onbekend, dat de bewoners

Sluiten