Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook de koekkoek moest gesloten worden. Het werd dan beneden benauwd heet, en met dubbel animo bleef juist daarom de Commandant onder zijn zeildoekschen kooi boven op onze etenstafel slapen, hoe WEBER ook waarschuwde: „TYDEMAN je wordt nog krom van de rheumatiek." „Krom als een notenkraker" was het antwoord, maar gebrek aan frissche lucht vond de Commandant nog erger.

Op weg van Tioer naar Koer werden groote stroomrafelingen waargenomen, waardoor dien dag waarschijnlijk de korring mislukte. Het rif te Koer herinnerde aan de riffen te Savoe; evenals daar had de bevolking dijkjes op de riften gebouwd om de met vloed medekomende visschen het terugzwemmen naar zee te beletten. Ook was dit rif, evenals dat van Sanana en Savoe, door een geul in twee helften gescheiden, welke geul waarschijnlijk haar ontstaan dankt aan een beek of kleine rivier, die daar ter plaatse in zee stroomt en de ontwikkeling van koralen, die in zoet water niet gedijen, tegenhoudt.

Koer verhief zich duidelijk trapsgewijze uit zee; een kampong lag schilderachtig langs zee op een terras en tegen een zwaar bosch aan en trok door haar oude missigit met haar verweerd dak, bijzonder ons oog. Van de bewoners was een groot gedeelte van een Arabisch type, hiertusschen zag men enkele Papoea's met kroeshaar, breeden neus en dikke lippen. Op de vraag van WEBER: „waar komen hier toch de menschen van daan," antwoordde men hem: „de bewoners der kampong Makia zijn de oudste bewoners van dit eiland; zij zijn van Mekka gekomen en hebben vandaar een groot koperen vat, gusi genoemd, medegebracht en uit dat vat zijn de overige menschen gekomen." Bij verdere navraag bleek, dat dit vat onlangs gebroken was en daardoor had de productie van nieuwe menschentypen opgehouden. De herinnering aan Mekka, die voortleeft in den naam hunner kampong Makia, is echter merkwaardig.

Tusschen Koer en Taam dregden wij tweemaal met het

Sluiten