Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sterrenhemel op open zee, kan ik mij niet voorstellen. Zoo ontelbaar veel sterren fonkelen in het donkere luchtruim boven ons, en hoe langer ons oog tuurt, hoe meer schitterende lichtpunten het ontwaart. Het licht der vaste sterren, vooral dat van Sirius, schitterde als een diamant van het zuiverste water; Schorpioen en Orion begroetten wij als oude bekenden. De Commandant wees mij de sterren, die hij thans voor de plaatsbepaling van het schip gebruikte, sprak over nevelvlekken: die werelden in wording en over sterren, die het stadium van afkoelen en donker worden zijn ingetreden.... Zoo pratende verstreek deze Oudejaarsavond op de wateren der Banda Zee.

In de kajuit vonden wij een felicitatiekaartje der stokers: „Wel Ed. Heer WEBER en Mevrouw en Heeren van Zelogie Siboga"; dit kwam zeker weer uit den koker van LoYER; ook onze Javaansche bedienden hadden dit westersch gebruik gevolgd, om ons alles goeds toe te wenschen.

Terwijl de Siboga maar rusteloos doorstoomde naar Ambon, was er tijd voor allerlei gesprekken aan boord. De hofmeester dacht aan zijn meisje, die een café hield te Hellevoetsluis; nog twee jaar moest het duren, voor hij terug kon keeren en bij die gedachte werd hij „een bonk sjagrijn".

Hoe gezellig kon BOLDINGII praten over de kunst om als zee-officier met je minderen om te gaan. „'t Hangt van de superieuren af, of de minderen hun plicht doen en iedereen is slechts gelukkig, als hij zijn plicht doet," dat was zijn maxime en een tweede punt, waarover hij lang kon uitwijden, was „de noodzakelijkheid om het iedereen aan boord toch zoo aangenaam mogelijk te maken, daar waren dikwijls zooveel onnoodige chicanes. En de officier, die het zóó voor zijn minderen opnam, was toch waarlijk geen doetje; als de mandoer of wie ook, werkelijk wat misdreven had, werd hij uitgeveterd, dat wij het achter hooren konden, en dan zei TYDEMAN leuk: „Daar is BolDINGH weer aan het fluisteren.'

Sluiten