Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelukkig niet in staat ons goed humeur te bederven Het was intusschen Februari geworden, de laatste maand, die wij gezamenlijk zouden doorbrengen. Er werden al plannen gesmeed, wat men doen zou, als men te Soerabaja kwam en op een drogen dag werd de goede plunje eens voor den dag gehaald om te luchten. Hoe zuchtte een onzer, dat hij zoo dik was geworden, dat hij zijn zondagsche jas niet meer aan kon hebben. „Hongerlijden" was des doctors voorschrift, dan kon tegen het eind der maand de gewenschte, slanke taille wel herkregen zijn. De patiënt deed die kuur, maar niet van harte en begon 's middags „zeg, doctor, hoeveel mag ik nu eten"? Waarop iedereen een opinie ten beste gaf en aan het plagen en lachen geen einde kwam.

Inderdaad begon de terugreis haar aanvang te nemen toen wij ons naar Haingsisi begaven. Op weg daarheen bracht een gelukkige haal van het kornet achtien soorten belangrijke diepzee visschen in wel honderd exemplaren boven, die onze vischverzameling op zeer gewenschte wijze kwamen vermeerderen. Te Haingsisi moesten wij, evenals in het begin der reis, kolen innemen. BaNDONG en Baboe herkenden de plaats dadelijk en geraakten in opwinding bij de gedachte aan de naderende t'huiskomst. In die bewogen stemming wilde BANDONG met alle geweld BOLDINGH vergezellen, die naar het vaste land van Timor overstak en van daar te voet naar Koepang ging om onze mail te halen BANDONG wilde sirih voor zijn vrouw koopen, maar de tocht over de scherp punten der kale koraalrotsen viel hem op zijn bloote voeten niet mede en hij kwam erg kreupel terug. Gelukkig was de mail, die ons overigens slechts in lange tusschenpoozen bereikte, ook dit Keer weder voor alle opvarenden een bron van vreugde, niet het minst voor den hofmeester en den mandoer, die met groote ingenomenheid vernamen, dat zij

in rang bevorderd waren.

Had het rif te Haingsisi ons bij ons eerste bezoek reeds

veel opgeleverd, het tweede bezoek zou het eerste nog in

Sluiten