Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

Waarin wij verscheidene nieuwe kennissen ontmoeten.

't Was op den namiddag van dien zelfden dag, dat onze jongelieden, na afgeloopen arbeid, weder een uurtje op het ijs reden.

„Kijk eens," riep Karei Schimmel spottend tegen Hilda, die vlak naast hem stond. „Kijk eens, welk een mooi paar daar over het ijs komt aanrijden, 't Zijn zeker de voddenrapers uit de hut. Hun schaatsen zijn zeker een geschenk van Hare Majesteit de Koningin in eigen persoon."

„Foei, Karei," zeide Hilda. „Je moest je schamen, dat je zoo over hen spreekt, 't Zijn arme kinderen en de schaatsen, op welke zij rijden, heeft de knaap misschien zelf gemaakt."

Karei keek mal op zijn neus.

„Ik weet niet wat zij met zulk tuig op de haan doen," bromde hij, terwijl Hilda naar de beide kinderen toereed, „maar ik zou, dunkt mij, even goed op een oud verroest mes kunnen rijden als op zoo'n paar schaatsen."

Deze uitval wekte het gelach van verscheidene andere der rijders. Hilda stoorde zich daaraan niet en vroeg aan Griete:

„Hoe heet je, kindlief?"

„Griete, juffrouw," antwoordde het kind, min of meer verlegen, dat de juffrouw van den burgemeester haar aansprak, al was die dan ook nog geen twee jaar ouder dan zij.

„En hoe heet je broer?"

„Hans, juffrouw!"

„Nu, 't is een ferme jóngen, die Hans. Die heeft zeker een warm kacheltje in zijn lijf; want hij ziet er zoo gezond uit als een visch. Maar jij bent koud. Waarom kleedt ge je ook niet wat warmer, klein ding?"

Griete deed haar best om te glimlachen.

Sluiten