Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeder zoo vertrouwelijk met hem sprak, 't Was hem, alsof hij niet alleen haar eenige zoon, maar haar vriend, haar raadgever was.

„Ja moeder, wij moeten liet horloge nimmer verkoopen," zeide hij nogmaals. „Om den wil van vader zullen wij het altijd bewaren. Het geld kan nog wel eens terechtkomen, als wij dat het minst verwachten."

„Nooit!" riep vrouw Blinker uit, terwijl zij de kous af kampte, die zij in dien tusschentijd had afgebreid. „Er is geen kans, dat dit geld ooit zal terechtkomen. Duizend gulden! En die alle weg in één enkelen dag! Duizend gulden! O, waar zijn ze gebleven! Als ze gestolen zijn, kan de dief geen gerust uur meer gehad hebben — dan heeft hij niet in vrede kunnen sterven met die schuld op zijn ziel."

„Hij kan nog wel niet dood zijn, moeder," zeide Hans vertroostend. „Misschien hooren wij nog wel te eeniger tijd iets van hem."

„Ach kind," antwoordde vrouw Blinker op treurigen toon. „Als ik alles goed overweeg, dan vraag ik mij zelf wel eens af, of het een dief is geweest. Wie toch zou het ooit in de gedachten gekomen zijn, om hier te stelen? 't Zag er hier altijd wel zindelijk en netjes uit, maar niet om de begeerlijkheid van een dief op te wekken. Vader en ik waren zuinig en dachten: alle kleine beetjes helpen. Als vader wat extra's verdiende, kwam er wat meer bij en, daar hij goed geld won, werd er wekelijks ten minste een gulden bijgevoegd. Alleen toen jij de koorts liadt en toen Griete kwam, kou er niets overgelegd worden. Ein-/ delijk werd de buidel zóó groot, dat ik weer een oude kous stopte, die reeds binnen een paar maanden vol zat tot aan de hiel. 't Was niet alleen zilver, mijn jongen, er was goud ook bij. Want vader had toen goede dagen, dat verzeker ik je. Ja, Griete, je mag wel groote oogen opzetten. En als ik toen mijn oude kleeren droeg en vader wilde, dat ik eens een nieuw stuk zou koopen, dan ant-

Sluiten