Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woordde ik hem lachend: „'t Is immers niet uit armoede, dat ik er zoo sjofel uitzie," — en intusschen werd de nieuwe kous al voller en voller, en mijn hoogste wensch was, dat je beiden braaf en knap mocht worden en vader eens op zijn ouden dag van den arbeid mocht uitrusten. En dan konden wij zoo aangenaam praten over den nieuwen stal, dien vader zou timmeren voor de koe, welke wij zouden koopen, en dan een nieuwen schoorsteen. Maar vader had veel schooner plannen dan ik. Een ferm schip met een fiksch zeil, dat veel wind vat, en dan .... terwijl ik den boel afvviesch, begonnen wij te zingen. En alle weken nam vader de kousen van de beddeplank en dan werd het geld nageteld en dan lachte hij en kuste mij, terwijl wij de kousen weer toebonden. .. . Maar Hans, je zit me daar aan te gapen en vergeet, dat je naar Amsterdam moet. De dag verloopt, 't Is hoog tijd, dat je op weg gaat."

Hans stond op, keek zijn moeder ernstig aan en zeide:

..Maar moeder, hebt gij 't vader wel eens goed gevraagd ?"

„Ach kind, zoo menigmaal! Maar dan begint hij zóó akelig te lachen en kijkt mij zóó verwezen aan, dat ik niets meer durf vragen. Toen jij en Griete verleden winter de koorts hadt en al ons brood bijna op was en ik niets kon verdienen, toen heb ik 't nog eens op allerlei manieren geprobeerd. Maar dan kon hij zoo akelig aan mijn mouw trekken en zulke onverstaanbare brabbeltaal te voorschijn brengen, dat het bloed in mijn aderen stolde. Eindelijk, toen Griete daar doodsbleek nederlag en jij ijldet in de hitte der koorts, heb ik hem toegeschreeuwd: Kolf, waar is ons geld? Weet je niets van ons geld, Rolf? Dat geld in de kousen? Maar ik had evengoed tegen een stuk steen kunnen schreeuwen — de arme man verstond mij niet."

Hans zag, dat zijn moeder vreeselijk ontroerd was; daarom zeide hij:

Sluiten