Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoezee! hoezee!" riepen de jongens, toen zij den verloren schat terugzagen. Maar Peter drukte Hans de hand en zeide met bewogen stem: „Hartelijk dank, goede Hans Brinker!"

En dat „goede Hans Brinker" en die handdruk deden den armen knaap goed.

„Hoe wist je, dat het mijn portemonnaie was?" vroeg Peter verder.

„Gij hebt mij uit die zelfde portemonnaie het geld betaald voor den withouten ketting, dien ik voor uw zuster gemaakt had, op voorwaarde, dat ik er schaatsen voor zou koopen. Ik herkende ze dadelijk."

„En waar heb je ze gevonden?"

„Niet ver van ons huis."

„Ja, nu herinner ik 't mij. Ik heb ze zeker verloren, toen ik mijn zakdoek uit den zak haalde. Je redt ons uit groote verlegenheid, Hans," vervolgde hij, terwijl hij de portemonnaie opendeed. „We zullen het geld deelen."

„In 't geheel niet, jongeheer!" antwoordde Hans, terwijl hij de hand terugtrok, en deed de portemonnaie weder toe, terwijl hij mompelde:

„Die jongen bevalt mij, al is hij nog zoo arm. Maar," vervolgde hij. „Wat scheelt je, Hans?"

„Ach, jongeheer," antwoordde Hans. „'t Is een treurig geval. Maar ik heb mij hier reeds te lang opgehouden. Ik ben op weg naar Leiden, om dokter Broekman op te zoeken."

„Dokter Broekman!" riep Peter verbaasd uit.

„Ja, jongeheer, en ik heb geen oogenblik te verliezen. Goeden dag!"

„Wacht een oogenblik! Ik ga naar Leiden. Komt, jongens! we zullen naar Haarlem terugkeeren."

„Uitmuntend!" riepen de jongens vroolijk uit, en zij keerden zich om en reden weder naar de Spaarnestad.

„Welnu," zeide Peter, terwijl hij naast Hans ging rijden, beiden zóó netjes en zóó licht, dat men haast niet kou

Sluiten