Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zult gaan. Zeg haar, dat ik 't je heb gezegd. En Hans, neem deze guldens aan, niet als een belooning, maar als een geschenk."

Hans schudde vastberaden het hoofd.

„Neen, jongeheer, dat kan ik niet aannemen," antwoordde hij. „Als ik werk kon vinden in Broek of ergens op een molen, zou ik gelukkig zijn. Maar overal, waar ik kom, is het dezelfde historie: wacht tot het voorjaar."

„'t Is goed, dat je er van spreekt," gaf Peter ten antwoord. „Vader zal je terstond helpen. Je mooie ketting beviel hem zeer. „Die jongen snijdt machtig mooi in hout", zeide hij. Vader wil van den winter onzen nieuwen koepel van snijwerk voorzien; misschien durft hij 't jou wel opdragen: er is geld aan te verdienen. De teekeoingen liggen bij ons aan huis."

„God is goed!'' riep Hans opgetogen uit. „O, jongeheer dat zou al te veel geluk zijn! Ik heb nog wel

nooit groot werk onder handen gehad — maar ik zou 't gerust durven wagen, en ik ben er zeker van, dat het mij gelukken zal."

„Nu, ik zal mijn vader zeggen, dat hij 't jou moet laten doen. Hij zal je zeker gaarne helpen."

Hans keek Peter aan.

„Ik dank u, jongeheer," zeide hij.

„Kom, kapitein," riep Karei. „Hier zijn we nu midden in Haarlem, en we hebben nog geen woord uit je mond vernomen. We wachten allen ongeduldig op je bevelen."

„Goed, jongens! Dan de schaatsen maar afgebonden!'' riep Peter. „Jij zult toch meegaan, 0111 iets te eten, Hans," ging hij voort, zich tot den knaap wendende, „daarna zal ik je niet langer ophouden."

Een oogenblik flikkerden de oogen des knaaps van genoegen en Peter was verwonderd, dat hij er niet eer aan had gedacht, dat de arme jongen wel honger moest hebben. Maar t was ook slechts een oogenblik, dat Hans er zich in verheugde, het andere hernam hij op treurigen toon:

Sluiten