Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ach, jongeheer! hoe gaarne ik uw vriendelijk aanbod zou willen aannemen, ik mag mij niet langer ophouden. Moeder mocht mij noodig hebben. Vaarwel! God zegene u!"

Dit zeggende, knikte hij Peter vriendelijk toe en — verdween.

Wij willen onze vroolijke knapen een oogenblik verlaten en met Hans naar Broek terugkeeren. Wij moeten daar, vooral ten gevalle onzer lieve lezeressen, eens een kijkje nemen bij de meisjes, die wij reeds vroeger ontmoet hebben, een kijkje in de jeugdige hartjes, die zoo warm en zoo snel onder de nauwe keursjes klopten.

,,Hilda de Bruyn — haar kent gij reeds, met haar warm, edel hart. Truida Korbes was vrij wat mooier dan Hilda, veel aanvalliger en zelfs meer gezocht, maar toch niet half zoo zonnig van binnen. In dat jonge hart hingen wolken van trots, ontevredenheid en wangunst, die dagelijks donkerder werden, 't Was natuurlijk, dat die wolken zich nu en dan evenals die aan den hemel ontlastten. Maar wie zag die tranen? Slechts haar dienstmaagd, haar ouders, haar jongere broeder, die haar zoo hartelijk liefhadden. Anderen bespeurden weinig van hetgeen er in dat jeugdige hart omging. In haar oog was het arme boerenkind Griete geen menschelijk wezen, niet evengoed een schepsel van God als zij — het was een onding, waaronder men niets dan armoede, lompen en morsigheid verstond. Zoo'n kind als Griete had geen recht om te gevoelen of te hopen; bovenal moest zij haar meerderen nooit in den wegkomen, ten minste niet op een onaangename manier. Zulk volk mocht voor haar en haar gelijken werken en zwoegen, maar op een eerbiedigen afstand; zij mochten haar bewonderen, als zij 't met gepasten eerbied deden — meer niet. Verheffen zij zich — dan sla ik ze neer; lijden zij, wat gaat mij dat aan — dat was de leer van Truida Korbes. En toch — hoe mooi zij altijd gekleed was en hoe lief zij zich voordeed, jongens met een echt Nederlandsch hart,

Sluiten