Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op zijn beurt getuigenis af en bevestigde, dat de kerel, die werd voorgebracht, dezelfde was, die dezen nacht op hun kanier was geweest. Toen Karei hem zag, sloeg hij de handen ineen, dat de man niet grooter was dan een gewoon mensch; want in zijn getuigenis had hij een reus van hem gemaakt met breede schouders en een vreeselijk uitzicht. Jacob had getuigd, dat hij wakker geworden was door het stampen, dat de roover deed op den houten vloer; maar Peter en de overigen hadden medegedeeld, dat de kerel geen vin verroerd had van het oogenblik, dat hij de punt van het mes op zijn nek voelde, totdat men hem had omgekeerd, om hem van aangezicht tot aangezicht te zien. De dochter van den kastelein dwong den commissaris een glimlach en een der knapen een blos af, toen zij verklaarde, dat, als die knappe jongeheer er niet geweest was, zij allen in hun bed zouden zijn vermoord geworden: „want de schurk had een groot, blinkend mes, bijna zoo lang als uwés arm", en zij geloofde, dat „de knappe jongeheer werk genoeg had gehad om hem onder zich te krijgen; maar de jongeheer was te zedig, om er zich op te beroemen."

Nadat er proces-verbaal was opgemaakt van het getuigenverhoor en dit dooi den kastelein en zijn dochter, als de eenige mondige getuigen, was onderteekend, werd de schuldige weggebracht en konden onze knapen naar huis gaan.

„De schurk I" riep Karei, „'t Is ferm, dat hij naar de gevangenis gaat. Ze moeten hem maar een jaar of wat geven. Als ik in jouw plaats geweest was, Peter, zou ik den kerel het mes door den hals gejaagd hebben."

„Gelukkig, dat hij dan niet in jouw handen gevallen is, Karei," antwoordde Peter kalm. „Die arme kerel zal er waarschijnlijk slecht genoeg afkomen, daar 't mij uit het verhoor scheen te blijken, dat hij al vroeger in handen der justitie is geweest, en de omstandigheid, dat hij van nacht een mes bij zich gehad heeft, nogal verzwarend schijnt te wezen."

Sluiten