Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij ieder der knapen hartelijk de hand reikte. „Kom, dat is goed. Marie had je al uitgeschrapt. Toch niet van morgen pas van Broek gegaan, denk ik?"

„Gistermorgen, Fran<jois," zeide Peter. „En wel vóór dag en dauw."

„Dan hadt je ook wel wat vroeger hier kunnen zijn, dunkt mij."

„Als er geen bijzonderheden te zien waren geweest in Haarlem en Leiden," zeide Lodewijk.

„Ha, zoo! Heb je daar je tijd aan besteed? Kijk, dat bevalt me. Nu, dan zal ik zorgen, dat je hier ook al het merkwaardige ziet. Je blijft toch zeker tot na Nieuwjaar?"

„Wij zijn van plan, om overmorgen vroeg weer te vertrekken," zeide Peter.

„Dat kun je begrijpen. Overmorgen! Daar komt niets van, beste vriend!"

„Maar ze wachten ons thuis," hervatte Peter.

„Dat doet niets tot de zaak. Je schrijft morgen een brief naar Broek en meldt daarin, dat je tot na Nieuwjaar hier blijft."

„Dat zouden we niet kunnen," hernam Peter. „We moeten den dertigsten te Broek zijn: want dan is er een groote wedren op schaatsen, en dien kunnen we niet verzuimen."

„Dat spijt me. In vredesnaam! Dan moeten we morgen onzen tijd maar goed besteden. Doch verhaal me nu eens, hoe je 't op je reis van Broek hierheen gehad hebt?"

De jongens verhaalden 1111 de lotgevallen, welke zij op hun tochtje gehad hadden. Toen zij aan hun nachtelijk avontuur kwamen, zeide mevrouw Van Gent:

„Maar hoe kon je ook zoo dwaas zijn, om in zulk een logement te kruipen?"

„Wat zal ik zeggen," antwoordde Peter. „We hadden ons door den voerman om den tuin laten leiden, en toen wij er eenmaal in waren...."

„Had Jacob geen lust om verder te zoeken," voegde Karei er bij.

Sluiten