Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Leeren en werken!" herhaalde Rolf op peinzenden toon. „Kan de jougen dan lezen en schrijven, Mietje?"

„Dat zou ik nieenen," antwoordde zij trotsch. „Je zult het hooren, Rolf. In den tijd, dat ik den vloer doe, leest de jongen een heel boek uit. Hij is net zoo blij niet een blaadje gedrukt schrift als een konijn met een koolstronk.

En cijferen dat hij kan ..."

„Hans, help mij een handje," viel Rolf zijn vrouw inde

rede. „Ik wou weer naar bed."

Wie dien avond vrouw Brinker en haar beide kindeien had zien soupeeren, zou niet gedacht hebben, dat ei zooveel fijns in de kast daar aan den muur verborgen was. Vroolijk gebruikten zij hun grof brood met helder water: „het wittebrood, de wijn en het vleesch moesten voor vader blijven," had vrouw Brinker gezegd. „Als men daar een stukje van at, zou men het den armen man ontstelen."

„Wat zit je daar zoo te kijken, Griete?" vroeg vrouw Brinker, toen ze gedaan hadden. „Heeft je het eten van avond niet gesmaakt, nu je wat beters gezien hebt?"

„Neen, moeder," antwoordde Griete verschrikt, dat ze zoo eensklaps in haar droomerijen gestoord werd. „Daar heb ik geen oogenblik over gedacht. Maar ik ... ."

„Nu, wat dan, kind?" herhaalde vrouw Brinker ongeduldig.

„Ik dacht, we konden vader nu wel eens naar de duizend gulden vragen. — Misschien weet hij er iets van."

Duizend gulden!" herhaalde eensklaps een stem uitliet bed, en zoowel vrouw Brinker als Hans sprongen verschrikt op. „Die duizend gulden zullen je ook wel te pas gekomen zijn, Mietje, al dien langen tijd, dat je man geen

slag werk deed."

„Ben je wel wakker, Rolf?" vroeg zij.

„Ja, kind. En ik gevoel mij veel beter. Wat een geluk, dat we dit geld hadden gespaard! Heeft het gedurende al die tien jaren gestrekt, Mietje?"

Sluiten