Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, geen Boomkert, die naam bestaat er niet, voor zoover mij bekend is. Maar Boomheuvel."

„Nu, breng het dan naar de Boomheuvels!"

„Dat geef ik jou te doen, om het daar naar toe te brengen. Die heele familie is al vier jaren geleden naar Amerika vertrokken. Maar ga jij nu slapen; je ziet er bleek en afgemat uit. Als je uitgerust bent, dan zullen we er wel eens nader over beraadslagen. — Zoo, Griete! Ben je daar eindelijk? Je bent tamelijk lang weggebleven."

Rolf Brinker deed een langen en gerusten slaap, waaruit wij hem zagen wakker worden, juist toen Hans met het door mevrouw Van den Helm voorgeschoten geld de hut binnentrad. Hoe sterk de goede Rolf ook meende te zijn, hij was dien namiddag weder naar bed gegaan en had niets gehoord van het gesprek met Annie Bouman, en was evenmin wakker geworden door het slaan van Hans op de bevroren aarde. Maar toen Hans den pot met geld binnenbracht en moeder Brinker 't uitgilde van vreugd, toen werd Rolf wakker, keek half dommelig het bed uit en zeide: „Wat is er, Mietje?"

Maar Mietje danste als een zottin door het vertrek met de beide kousen in haar armen en Hans stond daar met tranen in de oogen, en Griete schaterde 't uit van lachen.

„Vader roept, moeder!" zeide Hans.

In een oogenblik was vrouw Brinker's uitgelaten blijdschap bedaard.

„Ik had den goeden man wel een toeval op zijn lijf kunnen jagen," zeide zij verschrikt. „Maar ik ben ook zoo uitermate gelukkig!"

„Wat is er toch gebeurd, Mietje?" herhaalde Brinker, met een minder slaperige stem dan zooeven.

„Wel, de duizend gulden zijn terug, die je begraven hadt, den nacht voordat je het ongeluk op den dijk kreegt," zeide vrouw Brinker, en zij verhaalde hem omstandig, hoe zij reeds den vorigen nacht vergeefs naar het geld gezocht

Sluiten