Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Birmingham?" zeide Frits Verdam. „Dat is de plaats, waar de fabrikant woont. Kijk, daar staat zijn naam met kleiner letters. Ik kan ze niet lezen."

„Nu, ze zijn toch duidelijk genoeg," zeide Peter. „Zie maar, dat is een T. en dit is een H. Dus T. H."

„Nu ben je nog even wijs," hernam Frits lachend. „Wat beteekent nu die T. H.?"

„Wel, Thomas Higgs," antwoordde Peter schertsend. „Hans noemde straks dien naam en als men van den drommel spreekt, is hij meestal dicht bij ons."

Eensklaps zweeg hij; want hij wist niet, wat er met de familie Brinker voorviel. Hans en zijn moeder waren beiden op Rolf toegesneld.

„Hoort gij 't, Rolf?" zeide vrouw Brinker. „Thomas Higgs te Birmingham."

„Birmingham!" herhaalde Brinker op suffen toon.

„Kan dat de plaats ook zijn, vader? Bedenk u eens," smeekte Hans. „Birmingham? Was het soms Birmingham?"

„Ja a Birmingham! Zoo was 't," antwoordde

Brinker eindelijk.

„Daar, Hans, zet je pet op en rij terstond naar Amsterdam," zeide zijn moeder.

De drie jongeheeren stonden op en wilden heengaan. Vrouw Brinker bemerkte haar onbeleefdheid.

„Neemt ons niet kwalijk, jongeheeren," zeide zij, „dat we daar zoo onbeleefd waren. Maar die Thomas Higgs is een kennis van ons — dien — ja, dien wij dachten, dat al gestorven was."

„Ja, we dachten dat hij dood was," zeide Rolf Brinker. „Ligt dat Birmingham in Engeland, als ik u vragen mag?"

„Ja wel, in Engeland," antwoordde Peter, „'t Moet zeker Birmingham in Engeland zijn."

„Ik doe dien man kennen," zeide Benjamin. „Zijn fabriek is niet vier mijlen van ons verwijderd. Een rare fellow hij is — stil als een oester — doet niet gelijken een Englishman. Ik dikwijls heb gezien hem — een deftig

Zilveren Schaatsen. 12

Sluiten