Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar ae straat mee was bevloerd, en dat, terwijl er vroeger een drukte en een beweging waren, dat geen enkel grasscheutje een plek vond om rustig te groeien. De oude steenen vloer had zich in al dien tijd ook al niet goed kunnen houden. Overal groen, alsof t een weiland was, hier en daar zelfs een roos of andere bloem * voor de zoogenaamde weverij aan den westkant stonden een paar kleine lindeboomen en het oude pakhuis aan de noordzijde was haast gansch en al verscholen achter de weelderig groeiende vlierstruiken, die daar een goeden bodem schenen gevonden te hebben. °

De linnenhandel was nu al jaren geleden van de hand gedaan en vervangen door een porseleinfabriek, die buiten de stad in het nabijgelegen dorp Dambach gevestigd was.

De tegenwoordige chef van het huis Lamprecht & Zoon was een weduwnaar met twee kinderen. Tante Sofie, de laatste afstammeling eener zijlinie van het geslacht, deed de huishouding vlijtig en vlug, spaarzaam en verstandig. En zij, de opgeruimde tante met den grooten neus en de heldere, bruine oogen, hield het voor een der verstandigste zetten van haar geheele leven, dat zij • een oude vrijster was gebleven, omdat nu toch nog een tijdlang een echt Lamprechtsgezicht naar de markt zat te kijken voor hetzelfde raam, waar jaren en jaren altijd de vrouw des huizes voor gezeten had. Dit klonk nu wel is waar even onaangenaam en tartend in de ooren van de echtgenoote van den landraad als de opmerking omtrent het keizerzonnetje. Maar de landraadsvrouw was een zeer eftige dame, die zelfs aan het hof verscheen, tante Sofie zette altijd het onschuldigste gezicht van de wereld, en zoo kwam het, dat er nooit twist tusschen die beiden werd gehoord.

De landraad en zijne vrouw, schoonouders van mijnheer Lamprecht, bewoonden de tweede verdieping van het hoofdgebouw.

oude heer had zijn ridderhofstede verpacht om rustig in de stad te gaan wonen, waar hij het echter niet goed kon uithouden. Daarom liet hij vrouw en zoon — zijn eenige — dikwijls alleen en trok naar buiten, naar Dambach, waar hij een paar goede kamers had in een bij de porseleinfabriek staand paviljoen van zijn schoonzoon, en waar hij zijn hart kon ophalen aan her zwerven en jagen in de uitgestrekte bosschen, zoo lang hij maar lust had.

f* ,c°e^ ,v'er.uur °P ^en kleinen toren van het raadhuis en het koffieuurtje, hiermee aangebroken, maakte een eind aan het afnemen en opbergen van de wasch. Langzamerhand was het heldere, droge linnen hoog opgestapeld in de manden, en tante Sofie deed nu nog voorzichtig den knijper los, waarmee het

Sluiten