Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleine landauer met twee krachtige bokken bespannen in draf de plaats op. De menster, een meisje van een jaar of negen, stond recht op in het rijtuigje en hield de teugels met vaste hand. De ronde stroohoed met breeden rand was haar van het hoofd gegleden en hing aan het lint, als een lichte omlijsting van het donkere haar, dat fladderde in den wind.

Het meisje reed door in gestrekten draf tot vlak onder de linden, waar de kleine Reinhold zat. Met een flinken ruk stond het daar op eenmaal stil, zoodat de papegaai van schrik begon te krijschen en de jongen van de bank gleed.

«Maar Grete, ik wil niet hebben, dat gij met mijn bokken rijdt! j> riep de knaap op huilerigen toon en een blos van toorn kleurde zijn klein, bleek gezichtje. «Dat zijn mijn bokken. Papa heeft die aan mij gegeven, niet aan u!»

«Ik zal het niet weêr doen, nooit weêr, lieve jongen,» beloofde het zusje, terwijl zij van het rijtuig sprong, «kom, wees niet boos — houdt ge nu niet meer van mij ?»

De kleine jongen klauterde weêr op de bank en liet het zich maar noode welgevallen, dat zijn zusje met stormachtige teederheid hem de armpjes om den hals sloeg, «Kijk eens aan, jongen. Hans en Benjamin moeten toch ook een beetje pleizier hebben. Ze hebben al zoo lang in dien duften stal gestaan te Dambach.»

«En zijt gij werkelijk van Dambach af hier heel alleen naar toe gereden ?» vroeg de oude dame, met een mengeling van schrik en boosheid in haar zachte stem,

«Natuurlijk, grootmama. Die dikke koetsier kan toch niet achter mij gaan zitten in den smallen bokkenwagen. Papa is naar huis gereden en ik zou met de huishoudster in het groote rijtuig gaan zitten. Maar dat gesukkel duurde mij veel te lang.»

«Wat een dwaze praat is dat nu! En grootpapa?»

«Die stond in de deur te kijken en schudde van het lachen, toen hij mij met de bokken voorbij zag vliegen.»

«Ja. grootpapa en gij! Gij zijt mij» — de oude dame trok wijselijk het scherpe woord in, dat haar op de lippen zweefde, en wees met knorrigen blik op de borst en het lijf van haar kleinkind. «Wat ziet ge er schandelijk uit! Zijt ge zoo door de stad gereden?»

De kleine Margaretha trok aan het lint van den hoed, om dien aftewerpen en keek met vrij onverschilligen blik op haar witte jurk.

«Dat komt van de blauwbessen,» zei ze koel, «Ik heb het u wel gezegd, wat doe ik altijd met die witte jurken? Dadelijk zijn ze vuil. Paklinnen zou beter en gemakkelijker voor mij —»

Sluiten