Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gij luistert naar niets en daarom heb ik mij maar stil gehouden .... Voor zoo iets, als daar de gordijnen, moet een mensch geen oog hebben."

„Bijgeloovige, domme, oude Barbe, dat moest tante Sofie eens hooren!" riep het kleine ding op een toon vol ergernis en poogde tegelijk de dikke Barbe op zij te schuiven „daar moet men juist goed naar kijken ! Ik wil weten, wie dat daar is geweest! Het ging in een oogwenk voorbij — piep ! Weg was het l Maar wat ik denk het zal de kamenier van grootmama zijn geweest, die heeft net zoo'n witte muts op.''

„Die ?" Nu was de beurt aan Barbe, om zich te doen gelden

„Vooreerst, hoe zou die in de kamer komen? Zeker door het sleutelgat, hè ? En ten tweede zou zij het niet doen voor nog zoo'n lief ding, Grete, hoor. De wijsneuzige meid heeft net gedaan als gij — zij dacht ook, dat zij het gerust kon doen en daar heeft zij gisterenavond in de schemering den schrik beet gekregen, net zoo goed als de koetsier.. . Ga liever in de kamer met het roode kleed, waar de oude portretten hangen — die met de karbonkelsteenen in het koolzwarte haar, die is het. Zij kan geen rust vinden in het graf en spookt rond door het huis, om de menschen bang te maken."

„Barbe, tante heeft gezegd, dat gij ons zulke gekheid niet mocht vertellen!" riep Margaretha en stampte van boosheid op den grond. „Ziet ge niet h oe bang die arme jongen wordt ?" En als een grootmoedertje lei zij den arm em den hals van den knaap, die met open mond en angstigen blik naar Barbe zat te luisteren. „Kom maar bij mij, arm ventje, wees maar niet bang en laat u niets wijs maken door die stoute Barbe. Daar zijn geen spoken, in het geheel met. Alles wat daarvan wordt verteld, is gekkepraat!"

Juist kwam tante Sofie naar buiten, met de koffie en een verschen, lekkeren koek, overal met suiker bestrooid. „Kind, Greta, wat ziet ge er uit, net een haantje, dat wil gaan vechten. Wat is er nu weer gebeurd ? vroeg zij, terwijl Barbe zich haastig uit de voeten maakte en het touw weer van voren af aan oprolde.

„Daar was iemand boven in die kamer daar," antwoordde de kleine vlug en wees weer naar het raam.

Tante Sofie, die begonnen was den koek te snijden, hield even op, draaide het hoofd om en keek naar de vensters. „Daarboven ?" vroeg zij lachende, „ik geloof kindlief, dat gij nu gaat droomen op klaarlichten dag."

„Neen, tante, daar was een wezenlijk mensch. Juist daar, waar eht gordijn rood is werd het opengetrokken. Ik zag de vingers, zuiver

Sluiten