Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klom zij langzaam trap voor trap af. De deur van de huiskamer, waar haar vader binnen was gegaan, stond open. Duidelijk hoorde Grete de stem van papa, die tante Sofie vertelde van geloop en geschreeuw in den gang, en van de ingebeelde verschijningen op klaarlichten dag, terwijl hij zich ophield in het roode salon; hij hield vol, dat het kind zich alles had verbeeld, dat het kinderachtig gebazel in de keuken, waar de kinderen bij waren, van alles de oorzaak was en dat Margaretha hoe eer hoe liever naar een kostschool moest, om die dwaasheden af te leeren en tegelijk wat beter en fatsoenlijker manieren te krijgen.

Met zachten tred ging de kleine de deur voorbij. Even wierp zij een schuwen blik in de kamer. Reinhold liet de stukken van de bouwdoos liggen en zat met open mond te luisteren, en het lieve, vriendelijke gezicht van tante Sotie was vaal bleek geworden, zij hield de handen tegen de borst gedrukt, maar zei niets „omdat dat toch niet helpen kon," dacht de kleine in het voorbijloopen. Hadden eens papa en grootmama samen iets besloten, dan hielp geen bidden en smeeken, want grootmama zette het door. Eén slechts had er nog wel iets in te brengen, als hij met zijn lang niet malsche taal tusschenbeiden kwam, dat was grootpapa te Dambach. Die zou haar helpen, dat wist zij zeker! Hij zou zijn Grete niet laten wegbrengen en wel allerminst naar zoo'n „groote vogelkooi, waar allen hetzelfde deuntje fluiten, ' zooals hij zei, als grootmama over meisjeskostscholen sprak, ja, ja, hij zou haar helpen! Wat zouden zij beginnen, als hij — want dat deed hij altijd, als de tegenspraak hem begon te vervelen — met de krachtige knokkels op de tafel tikte, en met zijn harde stem ernstig zei: „ik verzoek, dat gij nu zwijgt, Franciska, ik verkies het zoo en hier ben i k de baas!" Dan was grootmama immers altijd dadelijk stil en de zaak was in orde. Ja, was zij maar eerst te Dambach, dan was er niets meer aan te doen !

Zij liep de plaats op, om de bokken uit den stal te halen, maar de huisknecht had den stal gesloten en het zou toch ook wel wat al te veel beweging gemaakt hebben, als de bokkenwagen over de steenen ratelde. Dadelijk kon er een of ander voor den dag komen en sluiten haar de poort voor den neus toe.... Er schoot niets anders over, zij moest zien, er te voet heen te komen. In het voorbijgaan had zij haar hoed, die nog op de tuintafel lag, opgezet, zij knoopte de linten onder de kin vast en toog op weg.

Niemand had er iets van gemerkt, toen het kind door de poort van het pakhuis de straat opging, er was geen mensch op de plaats en Blanka Lenz had het groene raam verlaten. Buiten de

Sluiten