Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zoo gewichtige rol speelde in het gezin van den landraad!... Nu, geen wonder dat grootmama met die nieuwe kennismaking recht op haar dreef was, zooals tante Sofie te Berlijn al had verteld. Een nicht van den hertog — al was het dan ook maar de dochter van den overleden prins Lodewijk uit een huwelijk beneden zijn stand verwekt — een schoondochter te kunnen noemen, dat overtrof grootmama's stoutste verwachtingen, het geluk was haar haast te groot!

Nu, de eergierige oude dame aan de overzijde leunde dan ook achterover in haar stoel met een van zoete weelde stralend gelaat. Zij kon geen oog afwenden van de blonde schoonheid naast haar zoon, den eenige, den afgod, die onbegrijpelijk snel al hooger opklom in den dienst van den staat, en nu op negenentwintigjarigen leeftijd al landraad was. Wat had Grete hem als kind door haar papa dikwijls „onzen toekomstigen minister" hooren noemen! Hij kwam er werkelijk al dichter en dichter bij, zooals tante Sofie had gezegd. Ten minste men mompelde zoo, dat er een ministersp aats open zou komen. De tegenwoordige primier was ziekelijk en had plan, naar het Zuiden te gaan. Booze tongen zeiden, dat de minister volkomen gezond was. Geen dokter had de ziekte gevonden, maar een zeer hooge persoonlijkheid had er de hand in gehad, en de jonge landraad Marschal zou, hoe verdienstelijk hij ook was, geen kans op een plaats aan de ministerstafel hebben ge ad, als die freule Heloise van Taubeneck er niet geweest was. „Ja, de wereld heeft altijd wat te zeggen!" Met die woorden waren de mededeelingen van het stadsnieuws besloten, maar toen tante dat zei had zij heel ondeugend uit de oogen gekeken.

\erigens, zoo had zij zich gehaast er bij te voegen, was Herbert wezenlijk een groot heer geworden, en als geboren om een plaats m te nemen, waardoor hij verheven bleef boven het „volk van allerlei slag".

Ja, hij was een groot heer, een echte diplomatenfiguur met een voorname kalmte op het welgevormde gelaat. Had zij hem in den vreemde onverwacht ontmoet, zij zou hem op het eerste gezicht niet herkend hebben. Het was ook al langer dan zeven jaren geleden, sinds zij hem had gezien. Als student had hij in de vacantie gewoonlijk een reis gemaakt, en kwam hij een enkele maal thuis, dan was zij den student, die nog geen baard had, en c len zij daarom geen „oom" wilde noemen, ontweken waar zij kon en hij had haar niet opgezocht. Maar nu had hij toch een baard gekregen, een mooien, vollen aan de kin gescheiden baard, ®n "it den onbeduidenden student was mijnheer de „landraad"

Sluiten