Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij nu en dan zelf kon gelooven, dat hare zenuwen haar booze parten hadden gespeeld. Maar nu, nu zij weer bij dezelfde deur stond, waar die gedaante toen uit gekomen was, nu zij daar die kleerkast zag waar zij zich achter had verborgen, kreeg alles weer scherper omtrekken en was het haar, of zij weer even duidelijk als toen de voetstappen hoorde in den donkeren gang.

In de groote kleerkast, die een zoo gewichige rol speelde in Grete's herinnering, zat de sleutel. Het meisje deed de kast open en zag, dat tante Sofie verscheidene sieraden uit de salons op de bovenste plank had gelegd, om die, gedurende de opknapping van de kamers, goed te bewaren. Maar aan de knoppen hingen nog altijd de goudlakensche en zijden japonnen van de groot- en overgrootmoeders in rij en gelid, zooals Grete die daar van jongs af had gezien. Als op een bed tulpen of hyacinthen schitterden daar allerlei bonte kleuren, tusschen kostbare tressen en koorden van goud- of zilverdraad — een dood kapitaal van belang, dat de trots en de kinderlijke eerbied der afstammelingen van de Lamprechts hier onaangeroerd en ongebruikt liet vergaan. In een hoek van de kast hing het zware kleed waarin de schoone Dora zich had laten portretteeren. Grete trok het kostbare stuk een beetje naar voren. Ja, tante Soffe had toch wel gelijk, in den ouden tijd kocht men solider waar voor zijn geld dan tegenwoordig. Het zilver der ingeweven bloemen glansde nog helder, de groene kleur was volstrekt niet verbleekt en alleen hier en daar in de plooien begon de stof te verslijten.

hen nauw, smal keurslijfje was het, waar vrouw Dorothea's hart eens tegen had geklopt. Grete dacht, dat het haar wel passen zou — en op eens kreeg de vroolijke wildzang de overhand. Dicht bij de deur stond ook een hooge spiegel op den grond, vlak tegenover de portretten. Grete schrikte er volstrekt niet van, dat juist de hooge, gebiedende gestalte van den overgroot vader doorden spiegel weerkaatst werd. Zij maakte den kraag, dien zij om den hals had, los en bond het haar voor het hoofd samen tot een soort van pruik. Haarspeld, oorhangers en manchettenknoopjes moesten dienst doen als karbonkelsteenen en deden dat waarlijk niet al te slecht.

Wonder toch, dat de natuur nog eens juist zulk een groote, slanke gestalte had voortgebracht, als bijna honderd jaren geleden zich in de zalen en kamers van Lamprechts huis bewoog. Glad en zonder eenige plooi voegde zich het keurslijf om boezem en rug van het jonge meisje en de zilverlakensche rok viel haar juist tot op de toppen van de voeten.

Sluiten