Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kantoor. Alleen om het wapen, dat bijna 'zoo groot is als'dat van den hertog, ben ik de trappen opgeklommen, om u den brief te brengen. Het kan mij anders weinig schelen, wie aan u schrijft".

Het meisje kreeg een kleur als vuur en al de overmoed van straks was verdwenen. Met een angstigen blik op den brief stond zij daar als een hulpeloos kind.

„Dat is het wapen der heeren von Billingen—Wackewitz, Reinhold", zei nu mevrouw Marschal op bijna plechtigen toon. „Ik zou u nog menig heilig bewaard briefje met dit wapen kunnen laten zien. Een freule von Billingen was vroeger oppermeesteres aan ons hof. Zij was heel vriendelijk voor mij en wij correspondeerden druk over onze vrouwenvereeniging... Mijn hemel, had ik toen kunnen denken," en met een oog vol blijde verrukking zag zij Grete aan en trok haar naar zich toe. „Mijn lieve, beste Grete ! kleine schalk, die gij zijt!" riep zij, zoo teeder als zij kon. „Dat was dus de magneet, die u te Berlijn aantrok ?... En ik was zoo onverstandig, zoo kortzichtig, om u verwijten te doen, terwijl gij bestemd waart een zoo schitterenden glans te werpen over ons huis ! Wat een blinde, wat een onrechtvaardige grootmama — niet waar, mijn beste kind? Neemt gij het mij niet kwalijk?"

De kleindoghter onttrok zich aan de omarming en ging een paar schreden achteruit. Zij voelde zich weer geheel op haar gemak. „Ik heb volstrekt geen reden, om iets kwalijk te nemen, wat dan toch ook een kleinkind al zeer weinig zou voegen", antwoordde zij droog en koel, en trok, met een blik op Reinhold, de kanten van het kostelijke kleed weer terecht. „Zulke buitensporigheden mogen wij ons niet veroorlooven, zoolang ik het statiekleed aan heb van de schoone^Dore — Reinhold zou boos worden".

O, als hij r.o.aar eens wisf [wat ik weet", zei grootmama en trachtte schalkachtig met de oogen te knippen, „dan zou hij het wel dadelijk met mij eens zijn, dat die oude japon u uitstekend goed kleedt! Ja, zooals ik u nu daar voor mij zie staan met die voorname houding en — nu, laat ik eens toegeven aan mijne grootmoederlijke ijdelheid — met dat aardige, geestige gezichtje ja, zoo behoort gij geheel in de rij dier aanzienlijke vrouwengestalten, die in zekere zaal den wand versieren".

„Ook met dat wilde haar en die jongensmanieren, grootmama ?"

De oude dame kreeg een licht kleurtje en hief even de handen naar boven.

„Kindlief — doch neen" zoo viel zij zich zelf in de rede. „randaag wil ik stil zijn. Morgen, of misschien een paar dagen

Sluiten