Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat welkom te zijn.... Maar ik zou u toch wel eens willen vragen, wat heeft die jonge dame van den Prinsenhof u eigenlijk gedaan, dat gij altijd zoo — zoo uit uw humeur raakt, als over haar gesproken wordt?"

Weer kreeg zij een kleur. „Zij — mij ?" riep zij, als was zij op iets kwaads betrapt. „Niets! zij heeft mij nooit iets gedaan! Hoe zou dat ook kunnen, wijl ik tot nog toe bijna nooit in hare trotsche nabijheid kwam ?" En de schouders ophalende, liet zij er op volgen: „ik geloof echter, ik heb er zoo'n voorgevoel van dat de koopmansdochter er nog eens ondervinding van zal opdoen."

„Dat hebt ge mis — zij is goedhartig."

„Ja, misschien uit onverschilligheid — omdat zij zich niet graag opwindt. Haar mooi gezicht —"

„Mooi is zij, bijzonder mooi zelfs", viel hij haar in de rede. „Ik zou wel eens willen weten of er vanochtend niet een glans van vroolijkheid op dat mooie gezicht lag, omdat zij een heel gelukkige tijding had gekregen.

Daarom zat hij daar vanavond zoo vroolijk, zoo plagerig, zoo ondeugend. Dat heel gelukkige betrof haar en hem allebei. „Vraagt gij dat aan mij?" riep zij met een bitteren lach. „Gij weet immers wel dat de dames van het hof veel te goed gedresseerd zijn, om op haar gezicht te laten lezen, wat er omgaat in haar hart. Van een heimelijk geluk heb ik niets kunnen merken. Ik bewonderde haar klassiek profiel, de prachtige gelaatskleur, de fraaie tanden, die zij onder een genadig lachje liet zien, en tegelijk kreeg ik het benauwd van de viooltjesgeur, die haar omgaf en die ik bij de aristokratische dame niet zoo echt voornaam vond."

„Zie daar was dan toch dadelijk weer de bittere nasmaak."

„Ik kan haar niet uitstaan! riep zij opeens driftig uit, zonder haast zelf te bedenken, wat zij zei.

Hij lachte en zijn hand voer weer welbehagelijk langs zijn baard. „Nu, dat was ten minste open en rond gesproken," zei hij. „Weet gij wel, dat ik in den laatsten tijd dikwijls gedacht heb aan het kleine meisje, dat met haar onverzettelijken waarheidszin de goede grootmama soms wanhopend maakte? Het leven in de wijde wereld heeft die waarheidsliefde in een allerliefste, kleine boosaardigheid veranderd, en ik dacht half, dat de kern ook gewijzigd zou zijn. Maar neen, daar komt die kern nog net zoo voor den dag. Ik ben blij, dat ik haar terug zie en verplaats mij onwillekeurig in den tijd toen de schooljongen openlijk voor een dief werd uitgemaakt, omdat hij een paar bloemen in had gepakt."

I erstond toen hij begon te spreken, was zij opgestaan en naar

Sluiten