Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had. Reinhold was op zijn gewone plaats in het kantoor gaan zitten, had de kille, dunne handen tegen elkander gewreven en daarbij het geheele bediendenpersoneel met somberen blik gemonsterd. Hij zag er net uit als altijd — hoe had ook het testament iets kunnen ontnemen aan de rechten, die hij zich, dadelijk na den dood van zijn vader, had aangematigd? De boekhouder en de klerken zagen met zeer angstig voorgevoel naar den spookachtigen, onverbiddelijken mensch, die nu zeker en onbetwistbaar de chef was geworden, aan wiens genade of ongenade zij voortaan waren overgeleverd.

Het was vier uur in den namiddag. De landraad was juist thuisgekomen en mevrouw Marschal was in het voorhuis bezig te onderhandelen over den aankoop van een kip. Daar kwam Lenz aan. Geheel in het zwart gekleed trad hij met een zekere gejaagdheid op de oude dame toe, zijn anders zoo vreedzaam en vriendelijk gelaat stond buitengewoon ernstig en droeg de duidelijke sporen van innerlijke opgewondenheid.

Hij vroeg naar den landraad en de oude dame wees hem kortaf Herberts kamer. Onwillekeurig zag zij hem toch met een zekere nieuwsgierigheid achterna, toen hij, na getikt te hebben, in het vertrek van haar zoon verdween.... De man was zichtbaar ontdaan en ging onder en zwaren last gebukt. Haastig deed zij de zaak met de koopvrouw af en spoedde zich naar haar woonkamer. Zij hoorde den ouden man op luiden toon spreken, hij sprak lang achtereen, even alsof hij een geschiedenis vertelde. Altijd had zij iets tegen dien schilder en zijn huisgezin gehad ; onmogeljjk kon zij het vergeven, dat zij om Blanka, de dochter, slapelooze nachten had moeten hebben. Wat zou hij nu willen ? Zou de landraad een goed woord voor hem moeten doen bij Reinhold, opdat hij zijne betrekking aan de fabriek weer terug kreeg? Dat zou in eeuwigheid niet gebeuren!

Mevrouw Marschal was een uiterst fijngevoelige hoog beschaafde dame, dat wist iedereen wel. Wie ooit had durven zeggen, dat haar klein, net gevormd oor wel eens tegen de deur van Herberts kamer werd gelegd, die zou wel voor een grooten lasteraar zijn uitgemaakt. Maar nu stond zij daar toch lang uitgerekt op de teenen en luisterde... luisterde, — tot zij plotseling als van den donder getroffen achteruit stoof en zoo wit werd als krijt.

In een oogenblik rukte zij de deur los en stoof het kantoor binnen.

„Zoudt gij de goedheid willen hebben, Lenz, dat, wat gij daar even hebt verteld, nog eens te herhalen, waar ik bij ben ?" riep

Sluiten