Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle stukken meegenomen, maar in zijn nalatenschap zijn zij niet te vinden, zij zijn spoorloos verdwenen."

„Gij moet en gij zult die vinden !" sprak Grete op vasten toon en ging naar de keuken, waaruit zij terugkeerde met Max aan de hand. „Hij zal mij altijd een lieve broeder zijn." zei ze ontroerd en sloeg den rechterarm om zijn hals, terwijl zij de linkerhand op de lokken van den knaap liet rusten. „Dat kind is een erfmaking van mijn vader aan mij, een heilige erfmaking! .. ... Niemand heeft een blik kunnen slaan in de geheimen van zijn laatste levensjaren; maar tot mij, zijn oudste kind, heeft hij, ofschoon dan ook onduidelijk, toch gesproken. Ik begreep er toen niets van, maar thans wordt mij het raadsel opgelost. Had mijn vader nog maar twee dagen geleefd, dan droeg de arme wees nu onzen naam. Ik wil niet rusten en niet stil zitten, voor zijn laatsten wil, die hem bestendig voor den geest stond, in vervulling is gekomen Neen, zeg mij niets!" riep zij uit, terwijl

zij een afweerende beweging maakte met de hand, toen zij zag, dat de kranke met van vreugde stralende oogen wilde gaan spreken." „Nu slapen. Pas op, Max, dat grootmoeder gauw in slaap komt, het zal haar goed doen."

De kleine jongen knikte en streelde de hand van de oude vrouw, en terwijl Grete en Lenz naar de voorkamer gingen, nam hij zijn plaats aan het voeteneind weder in. De schilder deelde haar in stilte nog enkele bijzonderheden mede, waar zij naar luisterde met den zakdoek voor het gelaat. Toen zij bij het ziekbed stond, had zij zich met geweld ingehouden, maar thans werd dat haar te machtig en een stroom van tranen welde haar uit de oogen.

Eer zij heenging keek zij nog even in de slaapkamer. Max wees op de zieke en hield tegelijk den kleinen wijsvinger voor den mond. De oude sliep rustig en vast, het had haar verlichting gegeven, dat zij een zware last van haar eigen ziel had afgewenteld en die op jeugdiger schouders had kunnen leggen.

Een paar minuten later ging Grete weer uit het pakhuis weg. Zij liep voort als in een droom, maar een heel onrustigen droom. Het was niet veel langer dan een half uur geleden, dat zij straks hier ook langs was gegaan, maar welke verandering van gewaarwordingen en gedachten had er in dat half uur plaats gehad! Nu wist zij het waarom haar vader een beroep had gedaan op hare hulp en vertroosting. Hij had zich zelf beschuldigd van eene noodlottige zwakheid — ja, die zwakheid, de vrees dat de groote wereld hem om zijn tweede huwelijk in den ban zou doen, die hadden hem langzamerhand het leven vergiftigd.

Sluiten