Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgedragen — en zoo kon de blos, die nu zijn wangen bedekte, wel een blos van schaamte zijn. Maar mevrouw Marschal voelde niets als nijdigheid en drift.

„Meent gij wezenlijk, dat wij onze kleindochter mee zouden laten gaan ?" vroeg zij op toornigen toon. „Dat is toch wel een beetje aanmatigend en voorbarig, lieve Sofie ! Ik zou denken dat de rijke erfgename er wel wat tegen zou hebben, om zoo maar in de eerste de beste armelui's-woning te kruipen."

Tante Sofie lachte hartelijk. „Het is voorden staat gelukkig dat ge geen schatter kunt worden, mevrouw ! Zoo erg, als gij het nu voorstelt, is het niet — dan moest ik immers geen Lamprecht zijn ! Ik zeg dit maar alleen, denk er aan als 't u belieft, om het verwijt van aanmatiging en voorbarigheid te ontgaan."

Grete ging naar haar toe en lei haar vertrouwelijk de hand op den arm.

„Grootmama heeft het mis," zei ze. „In de eerste plaats ben ik zoo'n rijke erfgename niet, als men wel denkt, en dan zou ik graag de eerste de beste armelui's woning binnengaan, al ik maar bij u blijven kon. Voorloopig mogen wij echter dit huis niet verlaten. Ik heb een heilige taak te vervullen en daar zult gij mij bij moeten helpen tante."

„Nu, de weg tot die taak zal voor u van nu af gesloten zijn. Ik laat de deur naar het pakhuis, die toch nergens voor noodig is, dichtmetselen en daarmee uit! Ik wil toch wel eens zien of ik hier geen rust kan krijgen!" sprak Reinhold, terwijl bij huiverig de bonten huisjas vaster om de leden trok en zich omkeerde om heen te gaan — de kortstondige berere opwelling was al lang weer onderdrukt.

„Overigens vind ik het, om het zachtste woord te gebruiken, een beetje onbeschaamd van u, om u zoo over uw erfdeel uittelaten," liet hij er op volgen en wendde zich daarbij nog even naar Grete, „Gij krijgt veel meer dan een dochter eigenlijk toekomt. Had papa — zooals zijn plicht was geweesr tegenover mij, als zijn opvolger — intijds een testament gemaakt, dan stond de zaak anders, ik moet nu schandelijk vee! aan u uitkeeren."

„Ja, ik geloof ook, dat die groote erfenis mij niet toekomt — ik zal wel moeten deelen," zei Grete langzaam en ernstig.

„Met mij nog eens?" riep Reinhold met smaadvollen lach. „Dat zult ge wel laten! Gij hebt nog niet eens het recht, over uw geld te beschikken. Daarbij begeer ik uwe grootmoedigheid niet, evenmin als ik van plan ben, een penning van het mijne aftestaan. Ieder houde het zijne, zoo redeneer ikl... Ik wil u hij deze

Sluiten