Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Prinsenhof voor haar lag, hoorde zij op eenmaal andere klanken, muziek in het kasteel. Daar zat de bruid voor den vleugel, geen fijne, teedere, heilige Cecilia met een gelaat, of de gestalte niets lichamelijks bezat, maar veeleer een Rubensfiguur met weelderige vormen en frissche, bloeiende kleur. Het rijke blonde haar schitterde in het licht van de waskaarsen op de kroon en de fraai gebogen vingers gleden langs de toetsen. — Maar neen, onder hare vingers kon het instrument zoo niet zingen, niet juichen. Heloise von Taubeneck speelde smakeloos en werktuigelijk, zooals zij nog niet lang geleden had bewezen ! Doch wie er dan ook speelde, hij deelde in het feest, dat heden werd gevierd en een ware storm van toejuiching was het loon voor het heerlijk spel.

Een breede lichtstraal drong door de ramen van het kasteel naar buiten. Het ruime grasveld, dat des zomers met zijn fraaie bloembedden in prachtige kleuren pronkte, lag vlekkeloos wit tot aan het met klimplanten begroeide hek, dat het veld scheidde van het kiezelpad langs het huis, waar de sneeuw was weggeveegd.

Zonder iemand of iets ontmoet te hebben, was Grete tot aan dat pad gekomen. Langzaam voortgaande, wandelde zij onder de ramen langs — waarom zij het deed, wat zij eigenlijk wilde — zij wist het zelf niet. Het was, of zij door een onweerstaanbare macht voort werd gedreven. Zij moest loopen, zij moest zien en zij wist toch, hoe bitter haar arm hart onder dat zien lijden zou.

In het salon, waar de vleugel stond, waren de witte gordijnen neergelaten. Daar bewoog zich geen enkele schaduw achter het doorschijnend voorhangsel, het scheen dat allen met volle aandacht luisterden naar het meesterlijke spel. De drie ramen in de kamer daar naast, waar Grete vlak bij was, waren door geen gordijnen gedekt. Een helder licht spreidde de kroon, in het midden van het vertrek, om zich heen, tot naar buiten over het pad en tot op de reeks portretten, die achter in de kamer tegen den wand hingen. Het was de eetzaal en daar was het verlovingsmaal gehouden; twee bedienden waren bezig de tafel op te ruimen, zij hielden de aangestoken flesschen tegen het licht en dronken de nog heel of half gevulde glazen ledig.

De laatste akkoorden van het muziekstuk waren al lang weggestorven en nog altijd stond Grete bij een kleine acaciaboom aan het hek. De wind woei het haar van voorhoofd en slapen weg en strooide de nat geworden sneeuw van de takken over haar heen. Zij voelde er niets van. Het hart joeg haar in de borst

Sluiten