Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een uitbundig gelach klonk door het lokaal, toen de onderwijzer zweeg en de ongelukkige Willis zag er uit, of hij zijn gezicht bij een open fornuis geroosterd had.

„Ik wist niet, dat wij de eer genoten een schrijver in de klasse te hebben," zeide mijnheer Strong. „Het spijt mij een opkomend genie den moed te ontnemen, maar, daar ik geen verband kan zien tusschen „Blue Whiskers" en de Romeinsche afgezanten, zal ik je moeten lastig vallen, na schooltijd bij mij te komen, Willis."

De jongen ging boos en verlegen naar zijn plaats terug. Hij kwam altijd op de eene of andere manier in moeilijkheden en vandaag had hij nu juist gehoopt zonder straf te blijven, want de schooltijd zou nog maar een half uur duren.

„Mijnheer", begon hij, weer naar het tafeltje komend, waarbij hij dralende bleef staan, toen bij het luiden van een zware bel de jongens allen tegelijk het lokaal uitstormden, — „mijnheer, mag ik —"

„Doe maar geen moeite, Willis," viel mijnheer Strong hem in de rede, terwijl hij zijn boeken en papieren bij elkander zocht. „Je verbeuzelt je tijd in de klasse, nu kan je je werk na schooltijd afmaken. Ik heb al zoo dikwijls met je gepraat, dat ik er half en half over denk rapport over je uit te brengen bij den directeur."

Toen hij voor zulk een moeilijke keuze werd geplaatst, blies Willis den aftocht, en een kwartier later had men hem naast „het Juweel" in het nu verlaten lokaal, sommen over de worteltrekking kunnen zien maken, een vorm van strafwerk, waarvoor mijnheer Strong een bijzondere voorliefde had. Daar het November was en al vroeg donker werd, brandden er twee gaspitten boven de lessenaars van de twee schoolblijvers.

Sluiten