Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

„WAT ZOU JE DOEN, ALS —"

Dien avond zat er een heel vroolijk troepje om de theetafel, die met allerlei lekkers bezet was — warme pasteitjes, broodjes, jam — kortom met alles wat er op de toonbank van een pasteibakker te vinden is, en, in het midden prijkte de verjaarstaart, waarop de naam „Constance" met roode suikerletters, op de geglaceerde bovenvlakte, was aangebracht. „Het Juweel" was geen lekkerbek, maar na weken lang niets anders dan schotels vol dikke boterhammen gewend te zijn, vond hij het gezicht van een groote, met suiker versierde taart, verrukkelijk. Hij was al heel gauw op zijn gemak en had een gevoel, of zijn eigen moeder glimlachend achter den grooten trekpot zat.

Het geschenk, dat Con het meest plezier deed, was een vulpenhouder, met een echt gouden pen, die een oom haar over de post had gezonden.

„Waarom draag je hem nu niet als een broche," zei Edgar. „Zeg," ging hij voort, zich tot Bassett wendende, „je weet, geloof ik, nog niet, dat Con een schrijfster is?"

Sluiten