Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Edgar. „Allemaal op den grond liggen, dan kan niemand je zien!"

Het geluid van voetstappen was nu duidelijk hoorbaar; er kwam beslist iemand het pad at langs het tennisveld.

„Edgar, Edgar 1" fluisterde Con zenuwachtig. „De beitel!"

Haar broer wist dadelijk wat zij bedoelde. In den goeden ouden tijd had het zomerhuisje in hun spelen dikwijls gediend als een belegerde sterkte en de belegerden waren dan gewoon geweest hun deur tegen de aanvallen van den vijand gesloten te houden, door middel van een list, waarvan het geheim alleen aan de drie kinderen bekend was. In de duisternis stak Edgar zijn hand onder een der vaste banken, en het volgend oogenblik kroop hij, gewapend met een ouden roestigen beitel over den grond; hij schoof het lemmer in een spleet tusschen de planken en het stoepje, zoodat het houten handvat de deur blokkeerde, die naar binnen openging. Het was nog juist bij tijds, want nauwelijks was hij gereed, of door de glazen ruit van de deur zagen zij den omtrek van een manspersoon en een rood puntje vuur duidde aan, dat hij rookte. Tweemaal probeerde hij de deur open te doen, en ziende, dat het niet ging, boog hij zijn hoofd en gluurde door het glas, terwijl de samenzweerders plat op den vochtigen vloer lagen en bijna geen adem dorsten halen. Con had moeite om niet te gillen, ofschoon zij bij ondervinding wist, dat iemand, die buiten stond, onmogelijk in het donker iets in het tuinhuisje kon zien.

Met een hoorbaren vloek keerde de man zich om en was blijkbaar op het punt om weg te gaan, toen er weder voetstappen werden gehoord en een zachte stem zeide: „het spijt mij wel; ik vrees dat ik u heb laten wachten."

„Dat geloof ik ook," bromde de eerste. „Ik heb hier wel een half uur zitten rooken en toen ben ik gaan zoeken, of er soms

Sluiten