Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking van het sportterrein voor een verontschuldiging gebruikend.

„O, ik vraag wel verschooning, het spijt mij verschrikkelijk. Wij hebben alles ondersteboven gegooid!" zeide Hubert beleefd, terwijl hij opstond en de losse papieren, benevens de met koper beslagen medicijnkist, die gelukkig sterk genoeg bleek te zijn om zulk een ruwe behandeling te doorstaan, begon op te rapen.

„Kijk zoo kwaad niet, Con!" zeide Bob hijgend; „ergebeuren nog wel erger dingen, en het is je eigen schuld, als je omgeloopen wordt, omdat je de tafel niet over de grens van ons speelterrein verkiest te zetten."

„Waar moet ik dan blijven?" vroeg Con. „ik ben geen vlieg, die tegen het plafond kan zitten," en met klagende stem vervolgde zij: „ik zou wel eens willen weten of Shakespeare iets had kunnen schrijven, als er in zijn kamer voetbal werd gespeeld en er iemand op zijn schoot kwam zitten."

„Het spijt mij vreeselijk," zeide „het Juweel" nogmaals, het laatste gedeelte van de opmerking op zich zelf toepassende.„lk zag niet, waar ik heen liep. Zeg ons maar waaraan je bezig bent, dan zullen wij je helpen — dat is te zeggen — als wij kunnen."

„Dat is goed," antwoordde Con, die wel wilde uitscheiden, en de jongens aan de tafel plaats liet nemen. „In deze aflevering van „Het jonge volkje", moet een verhaaltje komen, waarmee een prijs kan behaald worden. Het mag niet meer dan duizend woorden bevatten. De eerste prijs bedraagt een guinje, de tweede tien en een halven shilling, en de verhaaltjes, die bekroond zijn, zullen in het tijdschrift gedrukt worden."

„Wind je maar niet zoo op, je krijgt toch geen prijs," zeide Edgar, die zich bij het troepje gevoegd had.

Sluiten