Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet, dat het dwaas van mij is," zeide Con, „maar het wos een verrukkelijke plaats. Vertel het niet over aan Hubert, anders zou hij mij zelfzuchtig vinden."

„Het cricketspel schijnt hem goed gedaan te hebben," zeide Bassett, om een andere wending aan het gesprek te geven. „Toen ik hem het eerst zag, vond ik hem een echten suffer, maar als je hem beter leert kennen, is hij nog zoo kwaad niet."

„Neen, niet waar? Maar ik geloof, dat hij op het oogenblik niet heel vroolijk gestemd is. Ik weet niet waarom, maar er is bepaald iets aan de hand met mijnheer Mender. Hubert heeft mij verteld, dat hij soms zoo brommig is als een beer; hij denkt dat hem wat hindert, en eens, toen mijnheer Mender thuiskwam, had het er veel van of hij te veel gedronken had. Maar spreek er toch niet over, Bassett!"

De knaap schudde zijn hoofd maar mompelde: „ik wou, dat Edgar niet zulke dikke vrienden met hem was."

„Dat wou ik ook; in den laatsten tijd gaat hij, geloof ik, al minder druk met hem om. Hij is er in geen veertien dagen geweest en anders liep hij er telkens naar toe."

Cons vermoeden, dat de vriendschap tusschen haar broeder en den gouverneur aan het kwijnen was, bleek juist te zijn, en, voor den dag ten einde liep, gebeurde er iets, waardoor Edgar zich nog minder tot hem aangetrokken begon te voelen, sinds het oogenblik, dat zij in het tuinhuisje samen gepraat hadden, toen de quaestie van het pistool nog hangende was.

Na een prettigen avond met het doen van allerlei spelen, zooals : krijgertje, verlos, enz. doorgebracht te hebben, gingen Edgar en Bassett, Hubert thuis brengen. Bassett besteeg toen zijn fiets, om verder te gaan, en Edgar nam juist afscheid, toen mijnheer Mender, een pijpje rookend, de oprijlaan kwam afwandelen.

Sluiten