Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bereiken. Telkens waren zij overvallen en zij hadden ter nauwernood weten te ontsnappen — eens waren zij zelfs over het dal teruggedreven en het zware eikenbosch, verderop, door gejaagd. Het begon reeds te schemeren en in het bosch was het zoo donker, dat men bijna niets kon onderscheiden en spoedig het spel als geëindigd zou moeten verklaren. Door tal van afgesproken teekens in den vorm van een zacht gefluit, lieten Edgar en Hubert elkander hooren, waar zij waren, en kropen dan naar elkaar toe, om onder de dichte dwergeiken te beraadslagen, daar de verdedigers zich door het dal in de richting van het huis hadden teruggetrokken.

„Weet je waar zij zijn?" fluisterde Edgar.

„Ik heb er niet het minste idee van," was Huberts antwoord, „maar ik verbeeld mij zooeven de stem van „het Juweel" gehoord te hebben, ergens bij het houten bruggetje."

„Dan kan je er van op aan, dat hij op het oogenblik ergens anders is," antwoordde Edgar, grinnekend. „Luister, wij moeten maken, dat wij hieruit komen. Ik zal naar dat kreupelhout bij de braamstruiken loopen, want daar zijn wij vanavond nog niet geweest. Ga jij nu dadelijk links, dan zullen wij ze een van beiden wel te pakken krijgen en loop langs de grenspaaltjes; je weet wel — het pad, dat op het strand uitkomt."

Zoo gezegd, zoo gedaan. Vijf minuten later had Edgar doodstil het dal overgestoken en op handen en voeten door de verwarde bremstruiken gekropen, tot hij veilig en wel in het bosch was. Hier bleef hij eenige oogenblikken achter een boomstam staan, terwijl hij rechts en links gluurde om, zooveel hem dat in de toenemende duisternis mogelijk was, zich te vergewissen, dat er geen gevaar bestond.

Terwijl hij dit deed, klonk in de verte de schelle juichkreet

Sluiten