Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste schotel was natuurlijk de soep van Bassett en deze moest dus het eerst beoordeeld worden. Zij zag er vrij dunnetjes uit; waarschijnlijk had de kok er op het laatste oogenblik nog wat extra water bij gedaan, om er zeker van te wezen dat er genoeg zou zijn.

„Wat is dat voor slappe kost?" zeide Edgar, zijn oordeel over den eersten schotel ten beste gevende. „Je zoudt wel in vaatwater als dit, kunnen verdrinken, voor je honger gestild was."

„Loop heen," antwoordde „het Juweel," „de soep is krachtig genoeg; toen zij koud was, had je ze wel kunnen snijden."

„Hemeltje-lief," zeide mevrouw Willis, „was zij dan even stevig als gelei?"

„Ja, precies zoo dik," hield „het Juweel" vol, en fluisterend voegde hij er tot Con bij: „ik kocht zoo'n tablet, weet je, voor een sixpence."

„O, dat noem ik nu eens gemakzuchtig," zeide Bob, die de laatste woorden had opgevangen. „Heb je het gekocht? Waarom ging je zelf niet wat maken, net als ik gedaan heb?"

Mevrouw Willis, die er eenigszins aan getwijfeld had, of de jeugdige koks wel bekwaam genoeg zouden zijn, om een maal te bereiden, dat voldoende zou zijn, een eetlust, door de zeelucht opgewekt, geheel te bevredigen, had voor een flinke konijnenpastei gezorgd, waarbij Hubert de noodige gebakken aardappelen, als zijn bescheiden aandeel, had gevoegd. In ieder geval schenen de jongens het verstandige van dit besluit in te zien en zij bewezen dezen schotel alle eer.

„O, hemel!" riep Con op eens uit, toen het volgend gerecht aan de beurt kwam, „daar heb ik nu mijn blancmanger vergeten. Ik heb het buiten op mijn vensterkozijn gezet om koud te worden." Zij liep haastig weg; de anderen moesten nu

Sluiten