Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die te veel in hun spel verdiept waren, merkten niet dat zij de kamer uitging. Zij liep de hal in, waar, bij het licht van een staand lampje, door Ellen daar achtergelaten, het overschot van den bewusten maaltijd nog op de tafel te zien was. Niet ver van de deur stond een man, met den hoed in de eene en een leeren taschje in de andere hand. Hij was reeds op jaren had een gladgeschoren gezicht en grijzend haar. Uit zijn kleeding, ook uit zijn smalle zwarte das, bleek, dat hij niet tot de leegloopers langs het strand behoorde.

„Mevrouw Willis, als ik mij niet vergis?" begon de man. „Mijn naam is Humphries; ik ben kantoorbediende bij mijnheer Prescot en geniet zijn volle vertrouwen. Ik kom van Cokeham om u te spreken over een paar brieven, die mijn patroon vanmorgen van u en den jongeheer Hubert heeft ontvangen. Mijnheer Prescot zou zelf wel gekomen zijn, als hij niet door gewichtige zaken verhinderd was geworden."

„Waarlijk!" riep mevrouw Willis uit. „Mijnheer Prescot nam het toch niet kwalijk, dat ik hem geschreven heb?"

„Integendeel, hij is u zeer verplicht voor uw mededeeling," was het antwoord. „Ik moet mij nog wel verontschuldigen, dat ik u zoo laat op den dag kom lastig vallen, maar, daar de zaak moeilijk uitstel kan lijden, vraag ik u mij een kort onderhoud toe te staan. Kunnen wij hier spreken?"

„Juffrouw Holmes heeft nog wel een klein kamertje, hier dicht bij. Ik zal haar vragen, of wij daar mogen gaan, want de kinderen konden ons hier overvallen."

„O ja," antwoordde Humphries, „voorloopig moet de zoon maar niet weten dat ik hier ben."

Minder op haar gemak dan gewoonlijk, ging mevrouw Willis den man voor naar de kleine zitkamer en haalde een lamp. Zij

Sluiten