Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Luister! Schreeuwt daar niet iemand in de verte?" zeide Edgar. „Het lijkt de stem van Mender wel, en naar het leven, dat hij maakt, zou ik denken, dat hij gekwetst is."

Spoedig bleek het dat de knaap juist geraden had. Daar Alexander Prescot meer tegenwoordigheid van geest had bezeten dan zijn bondgenoot, was het hem gelukt te ontkomen en had hij nu den hoogen weg ongetwijfeld reeds bereikt; maar op een diepte van vijftig meter beneden aan de helling, waar het pad een scherpen hoek maakte langs de kromming van de doornboschjes, lag Mender kreunend op den grond. In zijn overgroote haast, loopende wat hij loopen kon, was zijn voet in een boomwortel vast blijven zitten; hij was zoo lang als hij was, neergevallen, met kracht op de steenen te land gekomen, had zijn gezicht opengehaald en zijn enkel verstuikt.

Sluiten