Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik zie, dat het rijtuig al voor is, maar ik wilde jullie vaarwel zeggen en je nog eens bedanken voor al de vriendelijkheid aan Hubert betoond. In zijn verlatenheid heeft jullie vriendschap hem in menig opzicht heel veel goed gedaan, en in die geschiedenis aan de zee, waarover wij volgens afspraak niet meer zullen spreken, hebben jullie mij en hem een dienst bewezen, dien ik zeker nooit zal vergeten. Welnu, als een bewijs van mijn dankbaarheid en, naar ik hoop, tot een aangename herinnering aan Hubert en mij zelf, heb ik een klein geschenk meegebracht, dat jullie zeker wel van mij willen aannemen."

Dit zeggende, nam mijnheer Prescot van achter een vaas op den schoorsteenmantel een klein plat pakje op, dat in een courant gewikkeld was.

„De jonge dame moet het maar aannemen. Ziedaar lief kind, je moet het, uit mijn naam, onderling verdeelen. Maak het niet open, voor je thuis bent, en pas op, dat je het niet verliest onderweg." Hij bukte en gaf haar een zoen op haar voorhoofd, met een gesmoorden snik, waarop Con, aan een plotselinge opwelling gehoor gevende, haar armen om zijn hals sloeg en hem op haar beurt een kus gaf. Verlegen bleef zij toen staan met het pakje in haar hand en prevelde een bedankje. Het voelde heel licht, was met een dun touwtje dichtgebonden en scheen niet veel bijzonders te bevatten.

„Wij zullen het zeker heel, heel mooi vinden," zeide Con flauwtjes, „en wij bedanken u hartelijk."

Toen werden er handen gegeven, men nam afscheid en onder de kreten van „goede reis!" reed het rijtuig de laan af en den weg op.

«Dag juffrouw Beal," zeide Con, zich tot de huishoudster wendend, „ik vrees, dat wij u niet meer zullen zien. Mogen wij den tuin nog even rondloopen?"

Sluiten