Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, wel zeker, jongejuffrouw. Er zijn wel niet veel bloemen meer, maar er staan nog wel wat herfstmadeliefjes achter in den tuin; ga daar maar een ruikertje van plukken."

„Ik vond het genoeglijk alles nog eens goed te bekijken," zeide Con bij wijze van verklaring tot haar broertjes, toen zij het huis verlieten. „Ik heb een gevoel, alsof ik hier later nooit meer zal willen terugkomen. Misschien zullen de menschen, die hier gaan wonen, een hoop veranderingen maken, en als dat zoo is, doe ik mijn oogen dicht, als ik langs het hek kom."

In eenigszins plechtigen optocht, wandelde het drietal daarop den ouden tuin rond; om beurten bezochten zij hun eigen geliefkoosde plekjes — het braamboschje met zijn kronkelende paadjes en het roovershol — den ouden iepeboom, waarin zij, zoo hoog mogelijk, zulke aardige zitjes gemaakt hadden en de drie tuintjes, door blauwe steentjes van elkander gescheiden, waar zij dikwijls bloemzaden, mosterd en sterkers hadden gezaaid. Telkens bleven zij een poos stilstaan, zich herinnerende hoe prettig zij er gespeeld hadden.

„Hierin zijn wij weggekropen, toen Mender met Huberts oom sprak," zeide Edgar, toen zij bij het tuinhuisje kwamen en er binnengingen. „Hoe gek, hè, dat wij hen verleden jaar om dezen tijd nog niet kenden en dat alles in zoo'n korten tijd gebeurd is!"

„Ik zal den ouden beitel meenemen als een herinnering," zeide Bob, onder de bank kruipende. „Niemand zal hem wel meer noodig hebben."

„Ik ben blij, dat ik deze madeliefjes nog heb," zeide Con. „Ik zal er een paar drogen in mijn persje en ze in mijn teekenschrift bewaren."

Sluiten