Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij bleef een poos stilstaan en keek droomerig naar de boomtoppen van het braamboschje in de verte. Misschien stemden de sombere herfsttinten overeen met haar gedachten, en zij kreeg een beklemd gevoel in haar keel.

„Ga mee, zeide zij op eens, „laten wij hier niet langer blijven. Ik ben koud; ik geloof dat het hier altijd winter zal zijn."

De wandeling naar huis was ook even zwaarmoedig; de stilte werd slechts voor een paar oogenblikken verbroken.

„Ik ben benieuwd, wat hij ons gegeven heeft," zeide Edgar. „Het pakje voelt nergens anders naar dan naar papier. Het heeft niets van een cadeautje."

„Hij was heel lief, toen hij ons goedendag zeide, en jij hoeft niet zoo iets leelijks van hem te zeggen," zeide Con snibbig.

„Ik wil er maar mee zeggen dat, als hij ons wat had willen geven, het wel wat degelijkers had kunnen zijn," wierp de knaap tegen. „Als het iets van waarde geweest was, zou hij het niet in een courant gepakt hebben."

De kinderen liepen weer zwijgend voort, tot Bob, toen zij reeds dicht bij huis waren, de stilte verbrak met den uitroep:

„Kijk, daar heb je „het Juweel!" Hij is zeker opzijn kar gekomen!"

„Ik heb voor een uurtje vrij-af gekregen," zeide Bassett, „en toen dacht ik bij mij zelf, „ik ga even kijken hoe jullie het maken. Wat zeg je daar? Zijn jullie Hubertgoedendag wezen zeggen? Ik wist niet, dat hij vandaag wegging, anders had ik wel wat eerder zien te komen."

Met een licht hoofdknikje tegen „het Juweel", liep Con gauw het huis in, en de drie jongens bleven in het portaal staan praten.

Sluiten